Brunell en McArdle tegen Nederland: EHRM stelt schending van het onmiddellijkheidsbeginsel vast

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft op 1 september 2026 in de zaak Brunell en McArdle tegen Nederland unaniem een schending van artikel 6 lid 1 EVRM vastgesteld. Het gerechtshof Amsterdam had twee verdachten in 2018 veroordeeld tot dertien jaar gevangenisstraf wegens doodslag, nadat de rechtbank hen van dat feit had vrijgesproken omdat zij de verklaringen van getuige X niet betrouwbaar achtte. Het hof gebruikte die verklaringen wel voor het bewijs, maar hoorde de getuige niet zelf en wees een verzoek daartoe af. Het EHRM oordeelt dat de verklaringen van X beslissend waren, dat de betrouwbaarheid ervan uitdrukkelijk was betwist en dat het onmiddellijkheidsbeginsel in die situatie vereiste dat het hof de getuige in persoon hoorde. De Hoge Raad had de veroordeling in 2020 in stand gelaten; volgens het EHRM kon een cassatieberoep dit gebrek niet herstellen. Het EHRM wijst op de herzieningsgrond van artikel 457 lid 1 onder b Sv en noemt heropening van de procedure de meest passende vorm van herstel.

Read More
, , ,
Print Friendly and PDF ^

Afwijzing van verrekening van gestelde schade door late teruggave van in beslag genomen handelsvoorraad in ontnemingszaak na overtreding van de Sanctiewet 1977

Gerechtshof Den Haag 11 augustus 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:2649

Het gerechtshof Den Haag beslist op 11 augustus 2026 in hoger beroep in een ontnemingszaak die volgt op een veroordeling wegens overtreding van de Sanctiewet 1977 en valsheid in geschrift bij de handel in dual-use goederen met Rusland. Het hof gaat uit van de door de FIOD met de transactiemethode gemaakte berekening en neemt de jaarrekening 2022 als basis voor de aftrekbare kosten, die het op 87 procent van de opbrengsten stelt. De door de verdediging gestelde schade door het niet tijdig teruggeven van de in beslag genomen handelsvoorraad komt volgens het hof niet voor aftrek in aanmerking, omdat die schade geen directe relatie heeft met de voltooiing van de strafbare feiten. Het hof gebruikt evenmin zijn bevoegdheid uit artikel 36e lid 5 Sr om die schade op de betalingsverplichting in mindering te brengen, omdat de wet niet in een dergelijke verrekening voorziet en de ontnemingsprocedure niet is ingericht op de behandeling van een reconventionele civiele vordering. Het draagkrachtverweer wordt verworpen omdat niet aannemelijk is dat de betrokkene nu en in de toekomst geen draagkracht zal hebben. Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 250.195 en legt een betalingsverplichting van gelijke hoogte op.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Zakelijk gedrag en ondergronds bankieren in Nederlandse witwasnetwerken onderzocht

Een nieuw open access artikel in het tijdschrift Crime, Law and Social Change onderzoekt hoe samenwerkingsrelaties ontstaan binnen Nederlandse witwasnetwerken van professionele witwassers. De studie van Jo-Anne Kramer, Ieke de Vries en Arjan Blokland is op 14 juli 2026 online verschenen en gebaseerd op politieregistraties over 117 financiële facilitators die actief waren in de periode 2016 tot en met 2020. Met behulp van exponential random graph models brengen de auteurs in kaart welke individuele, relationele en structurele kenmerken de vorming van onderlinge contacten verklaren. Facilitators die zich zakelijker gedragen blijken een grotere kans te hebben op samenwerkingsrelaties, vooral wanneer zij geen ondergronds bankier zijn. Ondergrondse bankiers werken vaker samen met andere ondergrondse bankiers dan met facilitators uit andere expertisegroepen, en binnen die groep is een neiging tot driehoeksrelaties zichtbaar. De auteurs wijzen op mogelijke vertekening door selectieve opsporing en presenteren het onderzoek als een eerste stap in het begrijpen van de mechanismen achter witwasnetwerken.

Read More
Print Friendly and PDF ^

De anticorruptierichtlijn geldt pas in 2028, in Italië telde zij nu al mee

Richtlijn (EU) 2026/1021 is op 11 mei 2026 gepubliceerd en moet uiterlijk 1 juni 2028 zijn omgezet; tot dan verandert er in het nationale strafrecht niets. Geen enkele grote lidstaat heeft een wetsvoorstel dat naar de richtlijn verwijst, ruim drie maanden na publicatie. De Italiaanse Corte costituzionale gebruikte de richtlijn wel al: door haar bestaan is het veld Unierechtelijk bezet, dus geldt artikel 49 lid 3 Handvest, waarop artikel 322-quater c.p. sneuvelde. Duitsland moet handel in invloed strafbaar stellen en zijn boetemaximum van tien miljoen euro fors verhogen; Frankrijk mist de verrijkingsfiguur en omzetgerelateerde boetes; Spanje hervormt volop maar noemt de richtlijn nergens. Nederland heeft geld gereserveerd en een risicoanalyse liggen, maar nog geen wetsvoorstel, geen consultatie en geen anticorruptieautoriteit, met handel in invloed als grootste knelpunt.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Onverhoedse seksuele aanraking kan dwang opleveren in de zin van artikel 241 lid 2 Sr, zodat het strafmaximum en de verjaringstermijn niet in het voordeel van de verdachte zijn gewijzigd

Hoge Raad 14 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1235

De Hoge Raad vernietigt in een OM-cassatie de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging van een verdachte wegens feitelijke aanranding van de eerbaarheid in 2004, artikel 246 (oud) Sr. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch oordeelt dat de tenlastegelegde onverhoedse seksuele aanrakingen na inwerkingtreding van de Wet seksuele misdrijven op 1 juli 2024 uitsluitend onder de opzetaanranding van artikel 241 lid 1 Sr vallen, met een strafmaximum van zes jaren, waardoor het feit is verjaard. De Hoge Raad overweegt dat van dwang in de zin van artikel 241 lid 2 Sr onder meer sprake kan zijn als ontuchtige handelingen een onverhoeds karakter hebben waardoor het slachtoffer gedwongen is geweest die handelingen te dulden. Het hof legt aan zijn oordeel over de verjaring een onjuiste rechtsopvatting ten grondslag door aan te nemen dat onverhoedse aanrakingen nooit als dwang in de zin van artikel 241 lid 2 Sr kunnen worden gekwalificeerd. Het strafmaximum van acht jaren gevangenisstraf en de daarbij behorende verjaringstermijn van twintig jaren zijn daardoor ongewijzigd gebleven. De zaak is teruggewezen naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Artikel: The Protection of the euro against Counterfeiting

De euro is een unieke munt waarvan de definitie onder de bevoegdheid van de Europese Unie valt. Tegen valsemunterij bestaat een uitgebreid juridisch kader. Het Kaderbesluit van 29 mei 2000 verplicht lidstaten valsemunterij strafbaar te stellen en vult de Overeenkomst van Genève van 1929 aan. Verordening 1338/2001 regelt de samenwerking tussen nationale en Europese autoriteiten en verplicht kredietinstellingen valse biljetten en munten uit omloop te nemen. Het Europees Technisch en Wetenschappelijk Centrum analyseert nieuwe vervalste euromunten. Aparte regelgeving beschermt tegen medailles en penningen die op euromunten lijken.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Conclusie AG over daderschap rechtspersonen

Advocaat-generaal Van Kempen heeft op 1 september 2026 een conclusie genomen in een cassatiezaak over bedrieglijke bankbreuk en feitelijk leidinggeven, waarin het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de verdachte veroordeelde tot zestien maanden gevangenisstraf en een ontzetting uit het recht om bestuurder van een rechtspersoon te zijn. Op de dag dat artikel 51 Sr vijftig jaar bestaat, wijdt de advocaat-generaal een uitvoerige beschouwing aan het daderschap van de rechtspersoon en het Drijfmest-kader van de Hoge Raad uit 2003. Aanleiding is de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State sinds 31 mei 2023, die voor het overtrederschap aansluit bij de strafrechtelijke criteria maar beschikkingsmacht volgens de conclusie soms te formeel invult. De advocaat-generaal bepleit materiële beschikkingsmacht als centraal vereiste, formuleert contra-indicaties voor toerekening bij louter nalaten en doet suggesties om het Drijfmest-kader te versterken. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep, met uitsluitend een strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie; de uitspraak van de Hoge Raad is voorlopig bepaald op 15 december 2026.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Jaarverslag Agence française anticorruption 2025: aantal meldingen verdrievoudigd, elf procent binnen bevoegdheid

De Agence française anticorruption ontving in 2025 2.257 meldingen over integriteitsschendingen, tegen 802 in 2024. Van dat totaal viel 89 procent buiten de bevoegdheid van de instantie; 242 meldingen waren ontvankelijk, tegen 202 in 2024 en 109 in 2023. Driekwart van de ontvankelijke meldingen betrof publieke actoren, en binnen die groep vooral gemeenten en intergemeentelijke samenwerkingsverbanden. Onrechtmatige belangenverstrengeling was met 28 procent het meest gemelde feit, gevolgd door verduistering van publieke middelen en favoritisme. De AFA zond achttien meldingen door aan het parket op grond van artikel 40 Code de procédure pénale en 41 aan andere autoriteiten en partnerdiensten. Het jaarverslag verscheen op 6 juli 2026 en kondigt voor 2026 een herziening van het online meldformulier aan.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad verklaart klager niet-ontvankelijk in cassatieberoep in beklagprocedure over verschoningsrecht bij een Europees onderzoeksbevel

Hoge Raad 14 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1231

De Hoge Raad verklaart een Duitse advocaat niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep tegen een beschikking van de rechtbank Limburg over de inbeslagneming van stukken onder zijn cliënt. De stukken, handgeschreven notities en artikelen met aantekeningen, zijn in beslag genomen naar aanleiding van een Europees onderzoeksbevel van de Duitse autoriteiten. De klager dient zowel een klaagschrift op grond van artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a Sv als een klaagschrift op grond van artikel 98 lid 4 Sv in, beide met de strekking dat de stukken onder zijn verschoningsrecht vallen. De rechtbank verklaart het eerste klaagschrift niet-ontvankelijk en het tweede ongegrond. De Hoge Raad verwerpt bij afzonderlijke beschikking van dezelfde dag het cassatieberoep tegen de beslissing op het klaagschrift ex artikel 98 lid 4 Sv, waardoor onherroepelijk vaststaat dat de stukken niet onder het verschoningsrecht vallen. Daardoor heeft de klager in de beklagprocedure geen belang meer en volgt niet-ontvankelijkverklaring.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad verklaart cliënt niet-ontvankelijk in cassatieberoep over beslag op geschriften nu verschoningsrecht van advocaat onherroepelijk is afgewezen

Hoge Raad 14 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1232

De Hoge Raad verklaart de cliënt van een Duitse advocaat niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep tegen een beschikking van de rechtbank Limburg over de inbeslagneming van geschriften onder de klager naar aanleiding van een Europees onderzoeksbevel van de Duitse autoriteiten. Het gaat om handgeschreven notities en artikelen met aantekeningen die in beslag zijn genomen bij een doorzoeking op 28 februari 2023. De klager legt aan zijn beklag ten grondslag dat de stukken onder het verschoningsrecht van zijn Duitse advocaat vallen. De Hoge Raad verwerpt bij beschikking van dezelfde dag het cassatieberoep van de advocaat in diens eigen beklagzaak, ECLI:NL:HR:2026:1230, waardoor onherroepelijk vaststaat dat de stukken niet onder het verschoningsrecht vallen. Omdat in de beklagzaak van de beslagene het onherroepelijke oordeel in de beklagprocedure van de verschoningsgerechtigde tot uitgangspunt moet worden genomen, heeft de klager geen belang meer bij zijn cassatieberoep en volgt niet-ontvankelijkverklaring.

Read More
Print Friendly and PDF ^