Hoge Raad verklaart klager niet-ontvankelijk in cassatieberoep in beklagprocedure over verschoningsrecht bij een Europees onderzoeksbevel
/Hoge Raad 14 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1231
De Hoge Raad verklaart een Duitse advocaat niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep tegen een beschikking van de rechtbank Limburg over de inbeslagneming van stukken onder zijn cliënt. De stukken, handgeschreven notities en artikelen met aantekeningen, zijn in beslag genomen naar aanleiding van een Europees onderzoeksbevel van de Duitse autoriteiten. De klager dient zowel een klaagschrift op grond van artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a Sv als een klaagschrift op grond van artikel 98 lid 4 Sv in, beide met de strekking dat de stukken onder zijn verschoningsrecht vallen. De rechtbank verklaart het eerste klaagschrift niet-ontvankelijk en het tweede ongegrond. De Hoge Raad verwerpt bij afzonderlijke beschikking van dezelfde dag het cassatieberoep tegen de beslissing op het klaagschrift ex artikel 98 lid 4 Sv, waardoor onherroepelijk vaststaat dat de stukken niet onder het verschoningsrecht vallen. Daardoor heeft de klager in de beklagprocedure geen belang meer en volgt niet-ontvankelijkverklaring.
Achtergrond
De klager is een natuurlijk persoon, een Duitse advocaat, geboren in 1978. De zaak betreft geen veroordeling maar een beklagprocedure tegen inbeslagneming; een tenlastelegging of opgelegde straf is dan ook niet aan de orde.
Op 16 februari 2023 vordert het functioneel parket te Rotterdam naar aanleiding van een Europees onderzoeksbevel van de Duitse officier van justitie dat de rechter-commissaris bij de rechtbank Limburg de bedrijfswoning van de cliënt van de klager doorzoekt ter inbeslagneming. Die doorzoeking vindt plaats op 28 februari 2023. Daarbij wordt beslag gelegd op diverse voorwerpen, waaronder ordners, handgeschreven notities en USB-sticks.
Op 8 maart 2023 dient de klager op grond van artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a Sv een klaagschrift in tegen de inbeslagneming onder zijn cliënt, op de grond dat de stukken onder zijn verschoningsrecht vallen. Op 3 april 2023 beslist de rechter-commissaris dat een deel van de stukken onder het verschoningsrecht valt, maar dat de stukken met de beslagnummers A.01.04.001, A.01.04.003, A.01.05.002 en A.01.05.003, handgeschreven notities en artikelen met aantekeningen, daar niet onder vallen. Op 5 juni 2024 dient de klager daartegen een klaagschrift op grond van artikel 98 lid 4 Sv in. Beide klaagschriften strekken ertoe dat wordt beslist dat de stukken onder het verschoningsrecht van de klager vallen.
De rechtbank behandelt de klaagschriften op 15 juli 2025 gelijktijdig maar niet gevoegd en doet op 12 augustus 2025 bij afzonderlijke beschikkingen uitspraak. Zij verklaart het klaagschrift op grond van artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a Sv niet-ontvankelijk en het klaagschrift op grond van artikel 98 lid 4 Sv ongegrond. De thans voorliggende beschikking betreft de niet-ontvankelijkverklaring van het klaagschrift ex artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a Sv. De zaak is een vervolg op de beschikking van de Hoge Raad van 9 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:562.
Cassatiemiddelen
Namens de klager stellen de advocaten T.H.L. Kneepkens en M.D. Rijnsburger één cassatiemiddel voor. Het middel klaagt over de niet-ontvankelijkverklaring door de rechtbank van het namens de klager ingediende klaagschrift als bedoeld in artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a Sv. De advocaat-generaal Van Kampen concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het cassatieberoep.
Beoordeling Hoge Raad
De Hoge Raad verwerpt bij beschikking van dezelfde dag, ECLI:NL:HR:2026:1230, het cassatieberoep tegen de beschikking op het op grond van artikel 98 lid 4 Sv ingediende klaagschrift van 5 juni 2024. Daardoor staat in die zaak onherroepelijk vast dat de betreffende voorwerpen niet onder het verschoningsrecht van de klager vallen. De Hoge Raad overweegt dat in de beklagprocedure naar aanleiding van het klaagschrift van 8 maart 2023 daarom geen andere beslissing meer kan volgen ten aanzien van deze voorwerpen. De klager heeft daardoor geen belang meer bij het beklag en moet niet-ontvankelijk worden verklaard in het cassatieberoep. Het cassatiemiddel, dat opkomt tegen de niet-ontvankelijkverklaring door de rechtbank, blijft buiten bespreking.
Beslissing van de Hoge Raad
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Lees hier de volledige uitspraak.
