Opzettelijk voorhanden hebben van onveraccijnsde rooktabak: klacht over de door het hof gehanteerde opzetmaatstaf is terecht voorgesteld, maar leidt niet tot cassatie

Hoge Raad 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1625

De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf en verwerpt het cassatieberoep voor het overige in een zaak over het medeplegen van het opzettelijk voorhanden hebben van 54.990 kilogram onveraccijnsde rooktabak. De verdachte is op 9 november 2022 als bestuurder van een vrachtwagen aangehouden bij een loods waarin de douane 423 dozen gesneden tabak op 141 pallets aantreft. Het hof oordeelt dat voor het opzettelijk voorhanden hebben in de zin van artikel 97 in samenhang met artikel 5 lid 1, aanhef en onder b, van de Wet op de accijns voldoende is dat een persoon opzettelijk betrokken raakt bij het voorhanden hebben. De Hoge Raad acht de klacht daarover terecht voorgesteld en verwijst voor de redenen naar zijn arrest van dezelfde dag, ECLI:NL:HR:2026:1619. Tot cassatie leidt dat niet, om de redenen die de advocaat-generaal noemt: het hof stelt ook vast dat de verdachte ten minste bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de rooktabak onveraccijnsd is. Wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie vermindert de Hoge Raad de gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, tot 23 maanden en 2 weken, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad verwerpt bewijsklacht over valsheid van een aandeelhoudersverslag bij feitelijk leiding geven en vermindert taakstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn

Hoge Raad 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1622

De Hoge Raad verwerpt grotendeels het cassatieberoep van een man die door het gerechtshof Amsterdam is veroordeeld voor feitelijk leiding geven aan valsheid in geschrift begaan door een rechtspersoon. Het hof stelt vast dat de verdachte een aandeelhoudersverslag twee keer per e-mail aan een agentschap stuurt om inzicht te geven in de uitvoering van een fondsplan door een B.V. De daarin genoemde investeringen en participaties hebben volgens het hof nog niet allemaal plaatsgevonden. Het eerste cassatiemiddel richt zich tegen de bewezenverklaring en faalt om de redenen in de conclusie van de advocaat-generaal. De overige middelen worden afgedaan met toepassing van artikel 81 lid 1 RO. Omdat de redelijke termijn in cassatie is overschreden, vermindert de Hoge Raad de taakstraf van 720 uren tot 695 uren.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad vernietigt de veroordeling voor het openbaar maken van een onware balans na toezending van die balans aan de Dienst Justis in een Bibob-procedure

Hoge Raad 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1621

De Hoge Raad vernietigt de veroordeling van een man voor het opzettelijk openbaar maken van een onware balans, artikel 336 Sr, en wijst de zaak op dat punt en wat betreft de strafoplegging terug naar het gerechtshof Amsterdam. Volgens het hof heeft de verdachte als vennoot van een vennootschap onder firma in het kader van een Bibob-procedure een balans naar de Dienst Justis gestuurd waarop ten onrechte een langlopende schuld van € 652.938 staat. De Hoge Raad overweegt dat artikel 336 Sr, mede gelet op de wetsgeschiedenis, het publiek beoogt te beschermen tegen misleiding door het publiceren van een onware balans. Van openbaar maken is daarom sprake bij een handeling waarmee de verdachte zich wendt tot het publiek. De enkele vaststelling dat de balans in een Bibob-procedure naar de Dienst Justis is verzonden, volstaat niet voor dat oordeel, zodat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd. De veroordeling voor medeplegen van witwassen en witwassen blijft in stand.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad stelt prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie over het zonder voorafgaande rechterlijke machtiging maken van een kopie van een inbeslaggenomen smartphone en geeft een voorlopig oordeel

Hoge Raad 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1615

De Hoge Raad behandelt prejudiciële vragen van de rechter-commissaris in de rechtbank Oost-Brabant over het maken van een kopie van de inhoud van een inbeslaggenomen smartphone zonder voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris. Centraal staat het arrest van het Hof van Justitie in de zaak CG/Landeck, dat voorafgaande toetsing door een rechter of een onafhankelijk bestuursorgaan eist als toegang tot persoonsgegevens het risico van een ernstige of zeer ernstige inmenging in de grondrechten meebrengt. Volgens de Hoge Raad laat die rechtspraak twee lezingen toe over het moment waarop dat risico ontstaat, en daarom stelt hij zelf een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie. In verband met lopende strafzaken geeft de Hoge Raad een voorlopig oordeel: een werkwijze waarbij politie en justitie bij wijze van bevriezingsmaatregel zonder voorafgaande machtiging een kopie van de inhoud maken, is niet onverenigbaar met het Unierecht.
Een reëel risico op een ernstige inmenging ontstaat naar dat voorlopige oordeel pas wanneer een opsporingsambtenaar daadwerkelijk inhoudelijk kennis kan nemen van de gegevens. De Hoge Raad gaat ook in op de verbalisering van de inrichting en omvang van het onderzoek en op een mogelijke aanwijzing van het Openbaar Ministerie, en houdt iedere verdere beslissing aan.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad vernietigt veroordeling voor feitelijk leidinggeven aan schuldwitwassen door rechtspersonen wegens gedeeltelijke verjaring

Hoge Raad 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1624

De Hoge Raad vernietigt de veroordeling van een verdachte die door het gerechtshof Amsterdam is veroordeeld wegens feitelijk leidinggeven aan schuldwitwassen door een rechtspersoon, meermalen gepleegd. Het vierde cassatiemiddel klaagt dat het recht tot strafvordering voor dit feit gedeeltelijk door verjaring is vervallen. Op schuldwitwassen staat tot 1 januari 2015 een gevangenisstraf van een jaar en sindsdien een gevangenisstraf van twee jaren. Op grond van artikel 70 lid 1 onder 2° in samenhang met artikel 72 lid 2 Sr beloopt de verjaringstermijn in dit geval ten hoogste twee maal zes jaren. Het recht tot strafvordering is daardoor vervallen voor zover het feit de periode vóór 6 oktober 2014 betreft, en het Openbaar Ministerie wordt in zoverre niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam voor een nieuwe berechting van het onder 2 tenlastegelegde.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad over de bewijsmotivering van het voorwaardelijk opzet op benadeling van schuldeisers en van het feitelijk leidinggeven bij bedrieglijke bankbreuk door een rechtspersoon

Hoge Raad 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1620

De Hoge Raad laat de veroordeling van de voormalig enig bestuurder van een melkproductenfabriek wegens feitelijk leidinggeven aan bedrieglijke bankbreuk door die rechtspersoon in stand. Kern van de zaak is een overboeking van € 5.940.000 op 3 juni 2010 van de fabriek naar een vennootschap waarachter de verdachte schuilgaat, terwijl de fabriek al een groot risico op faillissement loopt. Het hof leidt uit de bewijsmotivering af dat de fabriek bij die overboeking bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de rechten van een of meer schuldeisers worden benadeeld, en dat de verdachte feitelijk leiding geeft aan de overboeking. De Hoge Raad oordeelt dat de bewijsklachten daarover niet tot cassatie leiden en verwijst daarvoor naar de conclusie van de advocaat-generaal. Volgens die conclusie is het oordeel van het hof op beide punten niet onbegrijpelijk, niet ontoereikend gemotiveerd en getuigt het niet van een onjuiste rechtsopvatting. Wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie vermindert de Hoge Raad de gevangenisstraf van 30 naar 29 maanden.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep over ne bis in idem bij strafvervolging wegens het opzettelijk niet betalen van omzetbelasting na eerder opgelegde verzuimboetes

Hoge Raad 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1578

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van een ondernemer die door het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch schuldig is verklaard aan het opzettelijk niet betalen van omzetbelasting op aangifte, artikel 69a lid 1 AWR, zonder oplegging van straf of maatregel. De Belastingdienst had hem voor dezelfde kwartalen al verzuimboetes op grond van artikel 67c AWR opgelegd. De verdediging betoogt dat het begrip hetzelfde feit in artikel 255 lid 1 Sv moet aansluiten bij het begrip hetzelfde delict in artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de EU. De Hoge Raad oordeelt dat beide begrippen niet samenvallen, omdat het Handvest via artikel 52 een eigen beperkingssystematiek kent die het nationale recht mist. Wel moet de strafrechter in zaken binnen de werkingssfeer van het Handvest toetsen aan de Unierechtelijke eisen van afstemming tussen procedures en evenredigheid van de bestraffing, en moet het Protocol AAFD 2023 ook in die gevallen tot afstemming tussen Belastingdienst en Openbaar Ministerie leiden. Het verzoek om een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie wordt afgewezen.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep over hetzelfde feit bij strafvervolging voor artikel 69a AWR na een verzuimboete en de verhouding tot artikel 50 Handvest

Hoge Raad 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1578

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van een verdachte die door het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch schuldig is verklaard aan het opzettelijk niet betalen van omzetbelasting, artikel 69a lid 1 AWR, zonder oplegging van een straf of maatregel. Voorafgaand aan de strafvervolging zijn aan de verdachte voor het niet betalen van die omzetbelasting al verzuimboetes op grond van artikel 67c AWR opgelegd. Het eerste cassatiemiddel klaagt over de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en gaat ervan uit dat het begrip hetzelfde feit in artikel 255 lid 1 Sv moet aansluiten bij het begrip hetzelfde delict in artikel 50 Handvest. De Hoge Raad oordeelt dat die begrippen niet samenvallen, omdat artikel 50 Handvest via artikel 52 Handvest een eigen beperkingssystematiek kent die de nationale bepalingen niet kennen. In zaken binnen de werkingssfeer van het Handvest moet de strafrechter wel onder ogen zien of vervolging en bestraffing te verenigen zijn met artikel 50 in samenhang met artikel 52 Handvest en welke straf bij cumulatie van procedures nog passend is. Het verzoek om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie wijst de Hoge Raad af.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep over bewijsuitsluiting na een bestuursrechtelijke controle bij een tuinbedrijf

Hoge Raad 29 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1536

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van een man die door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is veroordeeld wegens medeplegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot grootschalige of bedrijfsmatige hennepteelt, artikel 11a Opiumwet. Het cassatiemiddel komt op tegen de verwerping van het verweer dat de politie onrechtmatig is binnengetreden doordat misbruik is gemaakt van bestuursrechtelijke bevoegdheden voor strafvorderlijke doeleinden, zodat het bewijs moet worden uitgesloten. In eerste aanleg volgt vrijspraak nadat het bewijs is uitgesloten wegens een onrechtmatige bestuurlijke controle bij een tuinbedrijf. Het hof oordeelt dat niet vaststaat dat tijdens of na de controle van 14 november 2018 al een redelijk vermoeden van schuld bestaat. De Hoge Raad oordeelt dat het middel niet tot cassatie leidt en verwijst voor de redenen daarvoor naar de conclusie van de advocaat-generaal. Ambtshalve stelt de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn is overschreden, zonder daaraan een ander rechtsgevolg te verbinden.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep over de verenigbaarheid van een veroordeling voor opruiing tot deelname aan een verboden demonstratie met artikel 10 en 11 EVRM

Hoge Raad 29 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1576

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van een man die door het gerechtshof Den Haag is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke taakstraf van 60 uren wegens opruiing, artikel 131 lid 1 Sr. Het hof acht bewezen dat de verdachte op 26 juni 2020 in een Facebook-livestream het publiek heeft opgeroepen deel te nemen aan een verboden demonstratie op het Malieveld in Den Haag, strafbaar op grond van artikel 11 lid 1 aanhef en onder a WOM. Het middel klaagt dat het hof deze uitlatingen had moeten opvatten als een oproep tot vreedzaam protest en dat de veroordeling een ontoelaatbare inbreuk vormt op de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering, artikel 10 en 11 EVRM. De Hoge Raad herhaalt zijn eerdere overwegingen over de beoordeling van opruiing en over het "chilling effect" van strafrechtelijk optreden tegen organisatoren van demonstraties. Volgens de Hoge Raad geven de oordelen van het hof over de gezondheid, het voorkomen van wanordelijkheden en de beperkte straf geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn zij toereikend gemotiveerd. De advocaat-generaal had geconcludeerd tot vernietiging en terugwijzing, waarmee de Hoge Raad niet instemt.

Read More
Print Friendly and PDF ^