Hoge Raad verwerpt cassatieberoep over de vraag of een verpleegkundige in een Wvggz-zorginstelling ambtenaar is in de zin van artikel 304 Sr

Hoge Raad 25 augustus 2026, ECLI:NL:HR:2026:1362

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van een man die door het gerechtshof Den Haag is veroordeeld wegens onder meer twee mishandelingen, waaronder de mishandeling van een verpleegkundige, en aan wie terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege is opgelegd. Het slachtoffer is een verpleegkundige die werkzaam is in een zorginstelling voor verplichte en gedwongen zorg, waar de verdachte op grond van een zorgmachtiging in het kader van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg is opgenomen. Het vierde cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat deze verpleegkundige een ambtenaar is in de zin van artikel 304 lid 1, aanhef en onder 3, Sr. De Hoge Raad herhaalt dat onder ambtenaar ook valt degene die onder toezicht en verantwoording van de overheid is aangesteld in een functie waaraan een openbaar karakter niet kan worden ontzegd. Het oordeel van het hof dat de verplichte en gedwongen zorg een overheidstaak is en dat de verpleegkundige daarom als ambtenaar kan worden aangemerkt, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad herhaalt overwegingen over hoofdelijke aansprakelijkheid van art. 36e lid 7 Sr bij gemeenschappelijk voordeel

Hoge Raad 1 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1405

De Hoge Raad vernietigt een ontnemingsuitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin aan de betrokkene een hoofdelijke betalingsverplichting van € 19.258 is opgelegd ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het voordeel is verkregen uit medeplegen van mensenhandel, doordat twee slachtoffers in de prostitutie moesten werken en hun verdiensten moesten afstaan. Het tweede cassatiemiddel klaagt over de oplegging van een hoofdelijke betalingsverplichting aan de betrokkene voor het gehele bedrag. De Hoge Raad herhaalt zijn overwegingen uit HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:878 over de hoofdelijke aansprakelijkheid van artikel 36e lid 7 Sr bij gemeenschappelijk voordeel. Het oordeel van het hof is niet toereikend gemotiveerd, omdat uit de bewijsvoering volgt dat een deel van de opbrengst is overgeboekt naar rekeningen van de medebetrokkene zonder dat het hof heeft vastgesteld dat beiden gezamenlijk over de gehele opbrengst konden beschikken. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak en wijst de zaak terug naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep over het oordeel dat de verklaring van de verdachte over de herkomst van het geldbedrag bij witwassen op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is

Hoge Raad 1 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1406

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van een man die door het gerechtshof Amsterdam is veroordeeld wegens witwassen van een geldbedrag van € 12.950 tot een gevangenisstraf van twee maanden, waarvan één maand voorwaardelijk. In eerste aanleg volgt vrijspraak. Het eerste cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is, en in het bijzonder over het oordeel van het hof dat de verklaring van de verdachte over de herkomst van het geld op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. De Hoge Raad oordeelt dat dit middel om de in de conclusie van de advocaat-generaal genoemde redenen niet tot cassatie leidt. Het tweede middel klaagt met succes over de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase. Gelet op de opgelegde straf volstaat de Hoge Raad met de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden en verbindt daaraan geen ander rechtsgevolg.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad over de verboden combinatie van gevangenisstraf en taakstraf onder artikel 9 lid 4 Sr en de rol van de voorlopige hechtenis

Hoge Raad 18 augustus 2026, ECLI:NL:HR:2026:1351

De Hoge Raad vernietigt de strafoplegging in een economische strafzaak en wijst de zaak op dat punt terug naar het gerechtshof Amsterdam. Het hof veroordeelt de verdachte wegens witwassen, medeplegen van het voorhanden hebben van grote hoeveelheden professioneel vuurwerk, het voorhanden hebben van munitie en het voorhanden hebben van een jammer tot een gevangenisstraf van twintig maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk, en een taakstraf van 240 uren. Het derde cassatiemiddel klaagt dat deze combinatie van straffen wettelijk niet is toegestaan. De Hoge Raad oordeelt dat onder het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf wordt verstaan, en dat daarbij niet van belang is hoeveel tijd de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Omdat het onvoorwaardelijke deel tien maanden bedraagt en daarmee de grens van zes maanden uit artikel 9 lid 4 Sr overschrijdt, mag daarnaast geen taakstraf worden opgelegd. De eerste twee cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie op grond van artikel 81 lid 1 RO.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad oordeelt dat artikel 4 onder d Sr geen rechtsmacht biedt bij het in het buitenland valselijk opmaken van een IND-formulier voor een nareisprocedure

Hoge Raad 14 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1265

De Hoge Raad beantwoordt prejudiciële vragen van het gerechtshof 's-Hertogenbosch over de rechtsmacht van Nederland bij het in het buitenland valselijk opmaken van een IND-formulier ten behoeve van een nareisprocedure. De verdachte, die de Syrische nationaliteit heeft, vult in Turkije een formulier "Bijlage Verklaring burgerlijke staat" van de IND onjuist in om via gezinshereniging naar Nederland te komen. Het hof vraagt of artikel 4 aanhef en onder d Sr rechtsmacht biedt voor dit feit, dat is toegesneden op artikel 225 lid 1 Sr. De Hoge Raad beantwoordt die vraag ontkennend en oordeelt dat de verwijzing naar artikel 225 Sr in artikel 4 onder d Sr, gelet op de wetsgeschiedenis, uitsluitend betrekking heeft op valsheidsdelicten met betrekking tot specifieke, door een overheidsinstelling uitgegeven geschriften die op zichzelf een zekere economische waarde vertegenwoordigen. De Hoge Raad merkt daarbij op dat bij gebruik van het geschrift als bedoeld in artikel 225 lid 2 Sr de plaats waar het geschrift is ingeleverd of naartoe is gezonden mede als pleegplaats geldt, zodat bij inlevering in Nederland rechtsmacht op grond van artikel 2 Sr kan bestaan.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Onverhoedse seksuele aanraking kan dwang opleveren in de zin van artikel 241 lid 2 Sr, zodat het strafmaximum en de verjaringstermijn niet in het voordeel van de verdachte zijn gewijzigd

Hoge Raad 14 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1235

De Hoge Raad vernietigt in een OM-cassatie de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging van een verdachte wegens feitelijke aanranding van de eerbaarheid in 2004, artikel 246 (oud) Sr. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch oordeelt dat de tenlastegelegde onverhoedse seksuele aanrakingen na inwerkingtreding van de Wet seksuele misdrijven op 1 juli 2024 uitsluitend onder de opzetaanranding van artikel 241 lid 1 Sr vallen, met een strafmaximum van zes jaren, waardoor het feit is verjaard. De Hoge Raad overweegt dat van dwang in de zin van artikel 241 lid 2 Sr onder meer sprake kan zijn als ontuchtige handelingen een onverhoeds karakter hebben waardoor het slachtoffer gedwongen is geweest die handelingen te dulden. Het hof legt aan zijn oordeel over de verjaring een onjuiste rechtsopvatting ten grondslag door aan te nemen dat onverhoedse aanrakingen nooit als dwang in de zin van artikel 241 lid 2 Sr kunnen worden gekwalificeerd. Het strafmaximum van acht jaren gevangenisstraf en de daarbij behorende verjaringstermijn van twintig jaren zijn daardoor ongewijzigd gebleven. De zaak is teruggewezen naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad verklaart klager niet-ontvankelijk in cassatieberoep in beklagprocedure over verschoningsrecht bij een Europees onderzoeksbevel

Hoge Raad 14 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1231

De Hoge Raad verklaart een Duitse advocaat niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep tegen een beschikking van de rechtbank Limburg over de inbeslagneming van stukken onder zijn cliënt. De stukken, handgeschreven notities en artikelen met aantekeningen, zijn in beslag genomen naar aanleiding van een Europees onderzoeksbevel van de Duitse autoriteiten. De klager dient zowel een klaagschrift op grond van artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a Sv als een klaagschrift op grond van artikel 98 lid 4 Sv in, beide met de strekking dat de stukken onder zijn verschoningsrecht vallen. De rechtbank verklaart het eerste klaagschrift niet-ontvankelijk en het tweede ongegrond. De Hoge Raad verwerpt bij afzonderlijke beschikking van dezelfde dag het cassatieberoep tegen de beslissing op het klaagschrift ex artikel 98 lid 4 Sv, waardoor onherroepelijk vaststaat dat de stukken niet onder het verschoningsrecht vallen. Daardoor heeft de klager in de beklagprocedure geen belang meer en volgt niet-ontvankelijkverklaring.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad verklaart cliënt niet-ontvankelijk in cassatieberoep over beslag op geschriften nu verschoningsrecht van advocaat onherroepelijk is afgewezen

Hoge Raad 14 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1232

De Hoge Raad verklaart de cliënt van een Duitse advocaat niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep tegen een beschikking van de rechtbank Limburg over de inbeslagneming van geschriften onder de klager naar aanleiding van een Europees onderzoeksbevel van de Duitse autoriteiten. Het gaat om handgeschreven notities en artikelen met aantekeningen die in beslag zijn genomen bij een doorzoeking op 28 februari 2023. De klager legt aan zijn beklag ten grondslag dat de stukken onder het verschoningsrecht van zijn Duitse advocaat vallen. De Hoge Raad verwerpt bij beschikking van dezelfde dag het cassatieberoep van de advocaat in diens eigen beklagzaak, ECLI:NL:HR:2026:1230, waardoor onherroepelijk vaststaat dat de stukken niet onder het verschoningsrecht vallen. Omdat in de beklagzaak van de beslagene het onherroepelijke oordeel in de beklagprocedure van de verschoningsgerechtigde tot uitgangspunt moet worden genomen, heeft de klager geen belang meer bij zijn cassatieberoep en volgt niet-ontvankelijkverklaring.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad vernietigt strafoplegging bij valsheid in geschrift omdat de rol van de verdachte als gemeenteraadslid en journalist niet uit het onderzoek ter terechtzitting blijkt

Hoge Raad 14 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1189

De Hoge Raad vernietigt de strafoplegging in een zaak over valsheid in geschrift en wijst de zaak op dat punt terug naar het gerechtshof Den Haag. De verdachte is door het hof veroordeeld tot een taakstraf van 60 uren, waarvan 20 uren voorwaardelijk, omdat hij een formulier over de vermissing van zijn rijbewijs valselijk heeft opgemaakt en bij de gemeente heeft gebruikt om snel een nieuw rijbewijs te verkrijgen. Het eerste cassatiemiddel klaagt dat het opzet op het valselijk opmaken niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, maar dat middel leidt niet tot cassatie. Het tweede middel klaagt met succes over de strafmotivering. Het hof heeft in het nadeel van de verdachte betrokken dat hij ten tijde van het feit was verkozen als gemeenteraadslid en als journalist kritisch over overheidshandelen schrijft. Het proces-verbaal van de terechtzitting en de meegedeelde stukken bieden voor die vaststellingen onvoldoende aanknopingspunten, zodat de strafoplegging ontoereikend is gemotiveerd.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Vernietiging en terugwijzing van de strafoplegging bij een veroordeling voor valsheid in geschrift wegens ontoereikende motivering

Hoge Raad 14 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1189

De Hoge Raad vernietigt gedeeltelijk een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin een verdachte is veroordeeld voor valsheid in geschrift. De verdachte maakt een formulier over de vermissing van zijn rijbewijs bij de gemeente valselijk op om snel en eenvoudig een nieuw rijbewijs te verkrijgen. Het eerste cassatiemiddel over het bewijs van het opzet faalt, omdat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is. Het tweede cassatiemiddel over de strafmotivering slaagt. Het hof betrekt bij de straf ten nadele van de verdachte dat hij gemeenteraadslid is en als journalist kritisch schrijft over de overheid, terwijl het procesdossier voor die vaststellingen onvoldoende aanknopingspunten biedt. De Hoge Raad vernietigt daarom de strafoplegging en wijst de zaak in zoverre terug naar het gerechtshof Den Haag.

Read More
Print Friendly and PDF ^