Rechtbank Oost-Brabant 23 juni 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:4630
De rechtbank Oost-Brabant schorst de vervolging van een verdachte die wordt aangemerkt als hoofdverdachte in een omvangrijke strafzaak over hennepteelt, voorbereiding van cocaïnetransporten, gewoontewitwassen en leiding geven aan twee criminele organisaties. De verdachte lijdt aan de ziekte ALS, ligt continu aan de beademing en is volledig afhankelijk van anderen. De rechtbank stelt vast dat op basis van de stukken niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de strekking van de vervolging niet begrijpt, zodat de letterlijke tekst van artikel 16 Sv niet van toepassing is. De rechtbank oordeelt echter dat de reikwijdte van artikel 16 Sv, bezien tegen de achtergrond van artikel 6 EVRM, verder strekt dan de letterlijke tekst suggereert. Ook wanneer een verdachte door medische beperkingen niet effectief aan de strafprocedure kan deelnemen, bestaat aanleiding de vervolging te schorsen. Omdat de verdachte geen verklaring kan afleggen, niet ter zitting kan verschijnen en geen zinvol overleg met zijn raadsman kan voeren, schorst de rechtbank de vervolging in de stand waarin deze zich bevindt.