Het Openbaar Ministerie legde op 21 februari 2024 een strafbeschikking op aan de investeringsmaatschappij M.C.L. Netherlands B.V. wegens witwassen, volgens Het Financieele Dagblad voor in totaal € 70 miljoen. In de strafbeschikking was opgenomen dat het OM geen persberichten over de zaak zou verspreiden en dat reacties op publicaties van derden vooraf aan het bedrijf zouden worden voorgelegd. De afdoening werd pas bekend nadat het FD er vragen over stelde en een afschrift opvroeg op grond van artikel 257h lid 2 Sv. De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag wees op 17 september 2026 de vordering van MCLN af om verstrekking van het afschrift aan het FD te verbieden, omdat openbaarheid van de strafrechtspleging zwaarder weegt dan de gevreesde reputatieschade. De voorzitter van de Raad voor de rechtspraak vraagt zich in het FD af of het OM dergelijke hoge strafbeschikkingen moet kunnen uitvaardigen, en hoogleraar strafprocesrecht Joep Lindeman noemt de gang van zaken vanuit rechtsstatelijk perspectief problematisch. De kwestie raakt aan het verschil in waarborgen tussen de hoge transactie, met toetsingscommissie en verplicht persbericht, en de hoge strafbeschikking, waarvoor zulke regels ontbreken.