Onverhoedse seksuele aanraking kan dwang opleveren in de zin van artikel 241 lid 2 Sr, zodat het strafmaximum en de verjaringstermijn niet in het voordeel van de verdachte zijn gewijzigd
/Hoge Raad 14 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1235
De Hoge Raad vernietigt in een OM-cassatie de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging van een verdachte wegens feitelijke aanranding van de eerbaarheid in 2004, artikel 246 (oud) Sr. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch oordeelt dat de tenlastegelegde onverhoedse seksuele aanrakingen na inwerkingtreding van de Wet seksuele misdrijven op 1 juli 2024 uitsluitend onder de opzetaanranding van artikel 241 lid 1 Sr vallen, met een strafmaximum van zes jaren, waardoor het feit is verjaard. De Hoge Raad overweegt dat van dwang in de zin van artikel 241 lid 2 Sr onder meer sprake kan zijn als ontuchtige handelingen een onverhoeds karakter hebben waardoor het slachtoffer gedwongen is geweest die handelingen te dulden. Het hof legt aan zijn oordeel over de verjaring een onjuiste rechtsopvatting ten grondslag door aan te nemen dat onverhoedse aanrakingen nooit als dwang in de zin van artikel 241 lid 2 Sr kunnen worden gekwalificeerd. Het strafmaximum van acht jaren gevangenisstraf en de daarbij behorende verjaringstermijn van twintig jaren zijn daardoor ongewijzigd gebleven. De zaak is teruggewezen naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch.
Achtergrond
De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1963. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch spreekt op 23 april 2025 de niet-ontvankelijkverklaring uit van de officier van justitie in de vervolging ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit wegens verjaring. De rechtbank veroordeelt de verdachte op 15 maart 2024 in eerste aanleg.
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat hij zich in de periode van 1 maart 2004 tot en met 30 juni 2004 schuldig maakt aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid, artikel 246 (oud) Sr, door tijdens een danstraining de borsten, vagina of het kruis en de billen van de aangeefster te betasten en zijn in erectie zijnde geslachtsdeel tegen haar vagina of kruis en billen te duwen. De tenlastelegging omschrijft het dwangmiddel als een andere feitelijkheid, bestaande in het onverhoeds en onnodig aanraken en betasten van het lichaam van de aangeefster.
Op 1 juli 2024, na het vonnis in eerste aanleg, treedt de Wet seksuele misdrijven in werking. Artikel 246 (oud) Sr vervalt en wordt vervangen door artikel 241 Sr. Het eerste lid stelt opzetaanranding strafbaar met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. Het tweede lid stelt gekwalificeerde opzetaanranding strafbaar met een gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren, indien de opzetaanranding is voorafgegaan door, vergezeld van of gevolgd door dwang, geweld of bedreiging.
Het hof leest de tenlastelegging aldus dat deze uitsluitend gedragingen omvat die bestaan uit het onverhoeds aanraken van het lichaam van de aangeefster. Het hof oordeelt dat zulke onverhoedse aanrakingen onder de opzetaanranding van artikel 241 lid 1 Sr vallen en niet onder de gekwalificeerde opzetaanranding van het tweede lid. Omdat het strafmaximum in artikel 241 lid 1 Sr zes jaren bedraagt, geldt op grond van artikel 70 lid 1, onder 3, Sr een verjaringstermijn van twaalf jaren. Aangezien in de twaalf jaren na de pleegdatum geen daad van vervolging de verjaring stuit, verklaart het hof het recht tot strafvordering verjaard en de officier van justitie niet-ontvankelijk.
Cassatiemiddel
Het Openbaar Ministerie stelt een cassatiemiddel voor dat opkomt tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie wegens verjaring. De raadsman van de verdachte, G.J.P.M. Mooren, tegenspreekt het beroep. De advocaat-generaal Sinnige concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch.
Beoordeling Hoge Raad
De Hoge Raad stelt in rechtsoverweging 2.5 de maatstaf voorop voor verandering van wetgeving na het tijdstip waarop het feit is begaan. Als de delictsomschrijving in voor de verdachte gunstige zin is gewijzigd, waaronder begrepen veranderingen in de bestanddelen en het vervallen van strafbaarstellingen, is artikel 1 lid 2 Sr van toepassing indien die wetswijziging een gevolg is van een verandering van inzicht van de wetgever over de strafwaardigheid van het vóór de wetswijziging begane feit. Voor regels van sanctierecht geldt dat een daarin opgetreden verandering met onmiddellijke ingang moet worden toegepast, als en voor zover die verandering ten gunste van de verdachte werkt, zonder toetsing aan de maatstaf van het gewijzigd inzicht. De Hoge Raad verwijst hiervoor naar HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6878.
De Hoge Raad overweegt in rechtsoverweging 2.6.1 dat van dwang in de zin van het in artikel 246 (oud) Sr bedoelde dwingen sprake kan zijn als de ontuchtige handelingen een onverhoeds karakter hebben waardoor het slachtoffer gedwongen is geweest die handelingen te dulden, onder verwijzing naar HR 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:900 en HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:842.
In rechtsoverweging 2.6.2 stelt de Hoge Raad vast dat in de nieuwe strafbaarstelling van artikel 241 lid 1 Sr het gebruik van dwang, geweld of bedreiging niet langer een voorwaarde voor strafbaarheid wegens opzetaanranding is. Op grond van artikel 241 lid 2 Sr kan het feit worden gekwalificeerd als gekwalificeerde opzetaanranding onder meer als sprake is geweest van dwang. Daarmee is, in de bewoordingen van de wetsgeschiedenis, voorzien in een rechtsopvolger van artikel 246 (oud) Sr.
Of sprake is van dwang in de zin van artikel 241 lid 2 Sr hangt af van de concrete feiten en omstandigheden van het geval. De Hoge Raad verwijst in rechtsoverweging 2.6.3 naar de memorie van toelichting, waarin staat dat voor de strafverzwarende omstandigheid dwang ten opzichte van artikel 246 (oud) Sr een lager bewijsvereiste geldt: het volstaat dat zodanige pressie op een ander is uitgeoefend dat die ander daardoor niet of in verminderde mate de mogelijkheid heeft gehad een vrije keuze te maken. Die pressie kan een veelheid aan gedaanten aannemen, en onder dwang wordt in de memorie van toelichting onder meer begrepen het overrompelen van een ander.
In rechtsoverweging 2.6.4 concludeert de Hoge Raad dat in het licht van deze wetsgeschiedenis van dwang in de zin van artikel 241 lid 2 Sr onder meer sprake kan zijn als de ontuchtige handelingen een onverhoeds karakter hebben, waardoor het slachtoffer gedwongen is geweest die handelingen te dulden. Dat de rechter bij zijn oordeel of sprake is geweest van opzet in de zin van artikel 241 lid 1 Sr het onverhoedse karakter van de handeling in aanmerking kan nemen, doet er niet aan af dat dit onverhoedse karakter eveneens met zich kan brengen dat sprake is van dwang in de zin van het tweede lid. Het maakt daarbij geen verschil dat in artikel 246 (oud) Sr dwingen een delictsbestanddeel vormt, terwijl in artikel 241 Sr dwang betrekking heeft op een strafverzwarende omstandigheid.
In rechtsoverweging 2.7.1 past de Hoge Raad dit toe op de voorliggende zaak. De tenlastelegging heeft betrekking op het strafbare feit van artikel 246 (oud) Sr. Uitgaande van de lezing van het hof dat de tenlastelegging uitsluitend het onverhoeds aanraken van het lichaam van de aangeefster omvat, is geen sprake van een voor de verdachte gunstige wijziging van de delictsomschrijving en is evenmin het strafmaximum ten gunste van de verdachte gewijzigd.
In rechtsoverweging 2.7.2 oordeelt de Hoge Raad dat in de overweging van het hof de opvatting besloten ligt dat onverhoedse aanrakingen, gelet op de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet seksuele misdrijven, nooit als dwang in de zin van artikel 241 lid 2 Sr kunnen worden gekwalificeerd en uitsluitend strafbaar zijn op grond van artikel 241 lid 1 Sr. Die opvatting is onjuist. Het hof legt aan zijn oordeel over de verjaring daarmee een onjuiste rechtsopvatting ten grondslag. Het cassatiemiddel slaagt.
Beslissing van de Hoge Raad
De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 tenlastegelegde, wijst de zaak terug naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan, en verwerpt het beroep voor het overige.
Lees hier de volledige uitspraak.
