Gerechtshof Amsterdam 26 januari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:191
Dit betreft een zaak waarin de verdachte samen met anderen via een vennootschap feitelijk ondergronds bankieren faciliteert. Hem wordt verweten dat hij 459.650 overdraagt en daarmee geld witwast en zonder vergunning het bedrijf van betaaldienstverlener uitoefent. Het hof oordeelt dat sprake is van een gerechtvaardigd witwasvermoeden op basis van onder meer grote contante bedragen, versleutelde communicatie en verborgen ruimtes in voertuigen, terwijl een concrete herkomstverklaring ontbreekt. De verdachte wordt vrijgesproken van enkele andere geldbedragen, maar voor het overige acht het hof medeplegen van witwassen, deelneming aan een criminele organisatie en bankieren zonder vergunning bewezen. Het hof houdt rekening met de ernst van de feiten en de ondermijning van het financieel-economisch verkeer, maar ook met de overschrijding van de redelijke termijn. Uiteindelijk legt het hof een gevangenisstraf van 16 maanden op, met aftrek van voorarrest.
Read More