Belaging van een rechtspersoon: hof oordeelt dat stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van een stichting mogelijk is

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 februari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1096

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeelt een verdachte voor belaging van een stichting voor hulpverlening en bevestigt daarmee dat een rechtspersoon slachtoffer kan zijn van belaging in de zin van artikel 285b lid 1 Sr. De verdachte, een voormalig deelnemer aan een proefwonen-traject, belaagt de stichting gedurende meerdere maanden door veelvuldig locaties te bezoeken, te bellen, dreigende briefjes achter te laten en negatieve TikTok-video's te plaatsen. Het hof verwijst naar een arrest van de Hoge Raad uit 2000 waaruit volgt dat een rechtspersoon in beginsel beschikt over een persoonlijke levenssfeer waarop inbreuk kan worden gemaakt. Het Openbaar Ministerie wordt gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard ten aanzien van de belaging van individuele medewerkers, wegens het ontbreken van individuele klachten als vereist op grond van artikel 285b lid 2 Sr. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien weken met aftrek van voorarrest en een locatieverbod voor de duur van drie jaren, dat dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard. Het hof acht het zorgwekkend dat eerdere maatregelen, waaronder een stopgesprek met de politie en een locatieverbod, de verdachte niet hebben weerhouden van zijn gedrag.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad verduidelijkt einde ontnemingszaak bij beklag over conservatoir beslag op hardware wallet met bitcoins

Hoge Raad 3 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:256

Achtergrond

In deze zaak staat een klaagschrift ex artikel 552a Wetboek van Strafvordering centraal dat betrekking heeft op conservatoir beslag op een hardware wallet met daarin ongeveer zes bitcoins. De wallet is op 24 november 2020 tijdens een strafrechtelijk onderzoek met de naam “Rockport” in beslag genomen onder de broer van klager. Zowel klager als zijn broer waren in dat onderzoek verdachte.

Het aanvankelijke beslag vond plaats op grond van artikel 94 Sv. Vervolgens heeft het openbaar ministerie op 7 december 2020 conservatoir beslag gelegd op de hardware wallet op grond van artikel 94a Sv. Dit conservatoir beslag diende ter bewaring van het recht van verhaal voor een ontnemingsmaatregel die was opgelegd aan de broer van klager in een eerdere ontnemingsprocedure.

De strafzaak in het onderzoek Rockport heeft uiteindelijk niet tot vervolging geleid. De strafzaak tegen de broer van klager is op 29 maart 2021 geseponeerd. Ook de strafzaak tegen klager is geseponeerd, waarbij het openbaar ministerie dit later nog schriftelijk heeft bevestigd. Het klassieke strafvorderlijke beslag op grond van artikel 94 Sv is daarop opgeheven. Het conservatoire beslag ex artikel 94a Sv bleef echter bestaan, omdat dit verband hield met de reeds opgelegde ontnemingsmaatregel tegen de broer van klager.

Die ontnemingsmaatregel vloeit voort uit een eerdere strafzaak tegen de broer van klager waarin hij is veroordeeld wegens – kort gezegd – het medeplegen van auteursrechtinbreuk en het bedrijfsmatig voorhanden hebben en verspreiden van illegale dvd’s en cd’s. Deze gedragingen kwalificeren onder meer als strafbare feiten als bedoeld in de Auteurswet. Aan de broer is een gevangenisstraf van twaalf maanden opgelegd, waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. In de ontnemingsprocedure is hem daarnaast een verplichting opgelegd tot betaling van € 2.272.536,67 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Wetboek van Strafrecht.

Klager stelt dat de hardware wallet en de daarin aanwezige bitcoins niet aan zijn broer, maar aan hem toebehoren. Volgens klager heeft hij de wallet kort voor de beslaglegging aan zijn broer overhandigd met het verzoek om de bitcoins te verkopen, omdat zijn broer meer technische kennis had. Klager onderbouwt zijn eigendomsclaim onder meer met een belastingaangifte waarin de bitcoins als zijn vermogen zijn opgenomen. Daarnaast voert hij aan dat hij de waarde van de bitcoins nodig heeft om in zijn levensonderhoud en financiële verplichtingen te voorzien.

Op 21 november 2022 dient klager een klaagschrift ex artikel 552a Sv in strekkende tot opheffing van het conservatoire beslag en teruggave van de hardware wallet met bitcoins. Uiteindelijk komt de zaak terecht bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, dat het klaagschrift niet-ontvankelijk verklaart omdat het volgens het hof te laat is ingediend.

Middel

In cassatie klaagt klager dat het hof hem ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn beklag. Volgens het cassatiemiddel heeft het hof een onjuiste maatstaf toegepast bij de beoordeling van de termijn waarbinnen het klaagschrift moest worden ingediend.

Het hof heeft de ontvankelijkheid beoordeeld aan de hand van artikel 552a lid 4 Sv. Deze bepaling geldt voor gevallen waarin nog geen vervolging is ingesteld. In dat geval moet een klaagschrift uiterlijk binnen twee jaar na de inbeslagneming worden ingediend. Omdat het klaagschrift volgens het hof buiten die termijn zou zijn ingediend, heeft het hof klager niet-ontvankelijk verklaard.

Daarnaast overweegt het hof ten overvloede dat het klaagschrift ook niet-ontvankelijk zou zijn geweest indien artikel 552a lid 3 Sv van toepassing was geweest. Deze bepaling geldt wanneer wel een vervolging heeft plaatsgevonden en bepaalt dat het klaagschrift uiterlijk binnen drie maanden na het einde van de vervolgde zaak moet worden ingediend. Volgens het hof was die termijn eveneens verstreken, omdat de strafzaak tegen klager in maart 2021 was geseponeerd.

Het cassatiemiddel betoogt dat dit oordeel onjuist en onbegrijpelijk is, omdat het beslag verband houdt met een andere zaak, namelijk de ontnemingsprocedure tegen de broer van klager.

Beoordeling Hoge Raad

Beoordeling van het middel: toepasselijke termijn voor beklag

De Hoge Raad stelt voorop dat uit artikel 552a lid 3 Sv volgt dat een klaagschrift ontvankelijk is zolang nog geen drie maanden zijn verstreken nadat de vervolgde zaak tot een einde is gekomen. Wanneer sprake is van conservatoir beslag op grond van artikel 94a Sv, moet bij de vraag wanneer de vervolgde zaak tot een einde is gekomen worden gekeken naar de strafzaak of – indien het beslag strekt tot verhaal voor een ontnemingsmaatregel – naar de behandeling van de ontnemingsvordering.

Volgens de Hoge Raad is het oordeel van het hof dat artikel 552a lid 4 Sv van toepassing is onjuist. Uit de vaststellingen van het hof volgt immers dat sprake is van vervolging. In dat geval had het hof de ontvankelijkheid moeten beoordelen op grond van artikel 552a lid 3 Sv.

Ook de overweging ten overvloede van het hof houdt volgens de Hoge Raad geen stand. Het hof baseert daarin zijn oordeel op het sepot van de strafzaak tegen klager in het Rockport-onderzoek. Het beslag waartegen het beklag zich richt, houdt echter verband met een andere procedure, namelijk de ontnemingsprocedure tegen de broer van klager. Het oordeel van het hof is daarom niet begrijpelijk.

Wanneer eindigt de ontnemingszaak?

De Hoge Raad gaat vervolgens in op de vraag wanneer een ontnemingsprocedure moet worden geacht tot een einde te zijn gekomen in de zin van artikel 552a lid 3 Sv.

De Hoge Raad overweegt dat een onherroepelijke uitspraak op een ontnemingsvordering weliswaar geldt als executoriale titel, maar dat de tenuitvoerlegging daarvan pas kan plaatsvinden wanneer ook de onderliggende strafrechtelijke veroordeling – waarop artikel 36e Sr ziet – onherroepelijk is geworden. Daarnaast bepaalt artikel 511i Sv dat een ontnemingsuitspraak van rechtswege vervalt indien de strafzaak uiteindelijk niet tot een veroordeling leidt.

Daaruit leidt de Hoge Raad af dat wanneer de beslissing in de ontnemingsprocedure al onherroepelijk is, maar de strafrechtelijke veroordeling nog niet, de ontnemingszaak pas tot een einde komt wanneer ook die veroordeling onherroepelijk wordt.

Afdoening door de Hoge Raad

Hoewel de beschikking van het hof dus juridisch onjuist is gemotiveerd, leidt dit niet tot terugwijzing van de zaak. De Hoge Raad wijst erop dat inmiddels het cassatieberoep in de strafzaak tegen de broer van klager is verworpen. Daardoor is de veroordeling onherroepelijk geworden en kan de ontnemingsmaatregel worden geëxecuteerd.

Volgens artikel 6:4:4 Sv vindt verhaal op conservatoir in beslag genomen voorwerpen plaats volgens de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Die regels zijn ook van toepassing op derden die menen recht te hebben op de in beslag genomen goederen.

Dat betekent dat klager – die stelt eigenaar te zijn van de hardware wallet met bitcoins – zijn aanspraak niet via een strafrechtelijke beklagprocedure, maar via de civiele rechter moet laten beoordelen.

Omdat na terugwijzing slechts opnieuw een niet-ontvankelijkverklaring zou kunnen volgen, doet de Hoge Raad de zaak zelf af. De bestreden beschikking wordt vernietigd, maar het klaagschrift wordt alsnog niet-ontvankelijk verklaard.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

EPPO slaat toe: grootschalige btw-carrouselfraude met luxe auto's ontmanteld

Het Europees Openbaar Ministerie (EPPO) heeft op 4 maart 2026 een grootscheepse actie uitgevoerd tegen een vermoedelijke criminele organisatie die op Europese schaal btw-fraude pleegde via de handel in luxe auto's. De EPPO-kantoren in Berlijn en Keulen (Duitsland) en Praag (Tsjechië) leiden het onderzoek, dat de codenaam Operatie Emily draagt.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Voormalig werfbeheerder gemeente Amsterdam veroordeeld tot 46 maanden gevangenisstraf voor jarenlange oplichting, valsheid in geschrift en gewoontewitwassen van ruim 3 miljoen euro

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25 februari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1154

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeelt een voormalig werf- en wagenparkbeheerder van de gemeente Amsterdam tot 46 maanden gevangenisstraf. De verdachte heeft in de periode 2008 tot 2015 de gemeente en een leasebedrijf jarenlang opgelicht door middel van honderden valse facturen voor nooit geleverde goederen en diensten. In totaal verwerft de verdachte ruim 3 miljoen euro, dat hij besteedt aan onder meer luxe auto's, vaartuigen, hotelverblijven en gokactiviteiten. Het hof acht medeplegen van oplichting, valsheid in geschrift en gewoontewitwassen bewezen en verwerpt alle verweren van de verdediging. De verdachte maakt jarenlang misbruik van zijn positie als gemeenteambtenaar en omzeilt stelselmatig de interne controlemechanismes van de gemeente.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Procesafspraken voorgesteld tijdens verhoor terwijl verdachte nog in verzekering zat

Rechtbank Amsterdam 19 februari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:1826

In deze zaak staat een bestuurder terecht wegens het opzettelijk niet doen van inkomsten-, vennootschaps- en omzetbelastingaangiften over meerdere jaren. Tijdens de inverzekeringstelling doet het Openbaar Ministerie al een voorstel voor procesafspraken, terwijl de verdediging nog niet over het volledige dossier beschikt. De rechtbank oordeelt dat het OM daarmee “de grens heeft opgezocht”, maar acht de afspraken toch geldig omdat verdachte vrijwillig heeft ingestemd en de gevolgen begrijpt. De rechtbank volgt de procesafspraken grotendeels, maar verlaagt de taakstraf van 300 naar 240 uur omdat niet duidelijk is waarom deze tijdens de onderhandelingen is verhoogd. Daarnaast legt de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en een voorwaardelijk bestuursverbod van drie jaar op.

Read More
Print Friendly and PDF ^