De anticorruptierichtlijn geldt pas in 2028, in Italië telde zij nu al mee
/Richtlijn (EU) 2026/1021 betreffende de bestrijding van corruptie is op 29 april 2026 vastgesteld en op 11 mei 2026 in het Publicatieblad geplaatst. Artikel 37 geeft de lidstaten tot 1 juni 2028 om haar om te zetten, en tot 1 juni 2029 voor de nationale strategie en de risicobeoordeling van artikel 20 lid 5. Tot die tijd verandert er in de nationale strafwetgeving niets: de richtlijn bindt de wetgever, niet de burger of de onderneming, en op de strafbaarstellingen kan het openbaar ministerie zich niet beroepen.
Wat er straks moet staan, is wel bekend. Zeven delicten worden geharmoniseerd, waaronder handel in invloed en verrijking uit corruptie. Voor rechtspersonen schrijft artikel 14 lid 3 een boetemaximum voor van ten minste 5% van de wereldwijde omzet of veertig miljoen euro bij omkoping en verduistering, en 3% of vierentwintig miljoen bij handel in invloed, belemmering van de rechtsgang en verrijking.
Ruim drie maanden na publicatie ligt er in geen enkele grote lidstaat een wetsvoorstel dat naar de richtlijn verwijst. De eerste keer dat zij ergens in een oordeel meewoog, was dan ook niet in een parlement.
Italië: de richtlijn als argument tegen een sanctie
De Corte costituzionale verklaarde in sentenza n. 108/2026 artikel 322-quater van de Codice penale onconstitutioneel. Die bepaling verplichtte de rechter bij veroordeling wegens onder meer corruptie en verduistering tot het opleggen van een riparazione pecuniaria aan de benadeelde overheid, ter hoogte van de prijs of de winst van het delict, bovenop verbeurdverklaring en schadevergoeding, zonder ruimte om te differentiëren naar draagkracht of naar herstelgedrag van de veroordeelde.
Om te bepalen of het Handvest van toepassing was, somde de Corte de Unierechtelijke instrumenten op die lidstaten verplichtingen opleggen bij de bestraffing van delicten tegen het openbaar bestuur: de Corruptieovereenkomst van 1997, het PIF-protocol, Kaderbesluit 2003/568/JBZ, het UNCAC-besluit, de PIF-richtlijn, "e, ora, la direttiva (UE) 2026/1021". Bij het opstellen én het toepassen van die strafbepalingen voeren lidstaten Unierecht uit in de zin van artikel 51 lid 1 Handvest. Daarmee geldt het verbod op onevenredige straffen van artikel 49 lid 3. De bepaling sneuvelde op de artikelen 3, 11 en 117 lid 1 van de Grondwet in samenhang met artikel 49 lid 3 Handvest, met consequentiële onconstitutionaliteit van artikel 165 lid 4 c.p.
De zaak is beslist op 4 mei 2026 en op 18 juni 2026 gedeponeerd, ruim twee jaar voordat er iets omgezet hoeft te zijn. De richtlijn deed hier geen werk als norm die Italië bond, maar als bewijs dat het veld Unierechtelijk bezet is, en juist dat opende de deur naar het Handvest. Een instrument dat is geschreven om strenger te straffen, hielp zo een sanctie uit het wetboek. Wat mij betreft is dat het interessantste dat de richtlijn tot nu toe heeft gedaan, en het zal niet bij Italië blijven: elke lidstaat die straks corruptiedelicten omzet, haalt daarmee het evenredigheidsvereiste van het Handvest binnen op sancties waar dat eerder discutabel was.
Duitsland: het delict dat er niet is
Duitsland heeft zich tijdens de onderhandelingen verzet tegen de strafbaarstelling van ambtsmisbruik als zelfstandig delict, tegen de verplichte nationale strategie en tegen de statistiekverplichting richting Brussel. Alle drie staan in de eindtekst.
Het grootste gat zit bij artikel 6. Duitsland kent geen algemene strafbaarstelling van handel in invloed; § 108f StGB ziet uitsluitend op mandaatdragers en § 299 StGB op de private sector. In de Duitse literatuur wordt de voorverplaatsing van strafbaarheid die artikel 6 meebrengt bedenkelijk genoemd, met een beroep op het ultimum remedium-karakter van het strafrecht en op de onduidelijke grens met legitieme belangenbehartiging. Daarnaast staat de Verbandsgeldbuße onder druk: het maximum van § 30 OWiG is tien miljoen euro voor opzettelijke delicten, minder dan een kwart van de bodem die artikel 14 lid 3 aan het maximum stelt. Het Verbandssanktionengesetz strandde in 2021 en een Referentenentwurf is er niet.
Frankrijk: op twee punten na klaar
Frankrijk begint met een voorsprong. Handel in invloed is er al lang strafbaar, de prise illégale d'intérêts en het favoritisme dekken een deel van wat artikel 7 verlangt, en artikel 17 van de loi Sapin II verplicht ondernemingen met meer dan 500 medewerkers en honderd miljoen euro omzet sinds 2016 tot acht compliancemaatregelen, met de Agence française anticorruption als toezichthouder.
Blijven over: de zelfstandige strafbaarstelling van verrijking uit corruptie, die Frankrijk na het Verdrag van Mérida nooit heeft ingevoerd, en de omzetgerelateerde boetemaxima. Dat laatste raakt de CJIP, waarin de boete wordt onderhandeld tegen de achtergrond van het wettelijk maximum. Frankrijk transponeert strafrechtelijke richtlijnen doorgaans via een loi DDADUE; het voorstel dat dit voorjaar in de Senaat lag bevat geen anticorruptietitel.
Spanje: hervormen zonder de richtlijn te noemen
Spanje voert de grootste hervorming van de vier door en doet dat buiten de richtlijn om. Het anteproyecto de Ley Orgánica de Integridad Pública is op 17 februari 2026 gepresenteerd, het proyecto ging op 28 juli 2026 naar het Congres. In het pakket: een nieuwe Agencia Independiente de Integridad Pública waarin drie bestaande organisaties opgaan, verlenging van de verjaringstermijn voor bepaalde ambtsdelicten van vijf naar zeven jaar, inhabilitación tot twintig jaar, uitbreiding van het decomiso sin condena, een verbod op partijfinanciering met cryptoactiva en verlaging van de meldgrens voor donaties van 25.000 naar 2.500 euro. Osborne Clarke zette de 84 maatregelen op een rij.
Richtlijn 2026/1021 wordt in de aanbiedingsstukken niet genoemd. Het traject is aangezwengeld door binnenlandse affaires en de aansluiting is navenant. Wat in de richtlijn staat en niet in het voorstel, blijft liggen: de verrijkingsfiguur van artikel 9, omzetgerelateerde boetemaxima naast het Spaanse cuota-stelsel, en de verruiming van het tráfico de influencias naar veronderstelde invloed. Bij de huidige verhoudingen in het Congres is bovendien onzeker of het voorstel deze zittingsperiode wordt afgerond.
Nederland: geld gereserveerd, wetsvoorstel nog niet
De Kamerbrief van 3 juli 2026 over de aanscherping van de gecoördineerde corruptieaanpak maakt de implementatie van de richtlijn tot de kern van de vierde lijn van het beleid en kondigt de start van het implementatietraject aan, inclusief de omgang met de niet-bindende bepalingen en de lidstaatopties. Er is één miljoen euro gereserveerd voor de implementatie bij opsporingsdiensten, OM en Rechtspraak, circa drie miljoen per jaar voor FIOD en Rijksrecherche, en één miljoen in 2026 met daarna vijf ton per jaar voor de uitwerking van de nationale aanpak. De eerste National Risk Assessment Corruptie van het WODC is op 13 maart 2026 aan de Kamer aangeboden en vormt de bouwsteen voor de risicobeoordeling van artikel 20 lid 5.
Wat ontbreekt: een wetsvoorstel, een internetconsultatie, een aangewezen centrale anticorruptieautoriteit en een formele nationale strategie. Bij eerdere Kamervragen hield JenV het erop dat na afronding van de trilogen wordt bekeken of wijziging van de nationale strafwetgeving nodig is.
Ook hier is handel in invloed het knelpunt. Nederland kent geen zelfstandig delict, beoordeelde dit tot nu toe via de omkopingsbepalingen en de deelnemingsfiguren, en was hierin de laatste lidstaat met een voorbehoud bij het UNCAC. De wetgever moet dus een nieuwe strafbepaling formuleren, met dezelfde grensvraag richting lobby waar de Duitse literatuur nu al over valt. Daarnaast liggen er de omzetgerelateerde boetes tegenover het categoriestelsel van artikel 23 Sr, de minimum verjaringstermijnen van artikel 19, de jaarlijkse publicatie van vervolgings- en veroordelingscijfers inclusief sepots en buitengerechtelijke afdoeningen, en het procesrecht voor anticorruptie-NGO's uit artikel 30.
