De herziening van het Wetboek van Strafvordering behoort tot de grootste wetgevingsoperaties binnen het Nederlandse strafrecht van de afgelopen decennia. Het huidige wetboek dateert in de kern uit 1926 en is sindsdien vele malen gewijzigd, aangevuld en uitgebreid. Die gelaagde ontwikkeling heeft geleid tot een complex en gefragmenteerd geheel. Met het nieuwe Wetboek van Strafvordering beoogt de wetgever te komen tot een systematisch, toekomstbestendig en beter toegankelijk strafprocesrecht. Eind 2025 en begin 2026 zijn daarin opnieuw belangrijke stappen gezet.
Rechtbank Overijssel 15 januari 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:146
De rechtbank Overijssel veroordeelt een bestuurder tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden en een taakstraf van 180 uur wegens schending van de administratieplicht bij faillissementen. De verdachte verstrekt opzettelijk geen volledige administratie aan de curator, waardoor de afhandeling wordt bemoeilijkt. Feit 3 (valsheid in geschrift) wordt nietig verklaard wegens onvoldoende specificatie. Hierdoor volgt ook vrijspraak voor witwassen (feit 4). De verdachte wordt tevens drie jaar uitgesloten van het uitoefenen van bestuursfuncties. Vorderingen van benadeelden zijn niet-ontvankelijk.
Hoge Raad 20 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:77
De verdachte is veroordeeld voor oplichting en witwassen en moet ruim 3,1 miljoen euro aan schade vergoeden. Het hof vergat te vermelden dat de civiele schadevergoeding en de schadevergoedingsmaatregel alternatief zijn. De Hoge Raad herstelt dit en voorkomt zo dat de verdachte dubbel zou moeten betalen. Ook stelde het hof hoofdelijkheid vast, maar vergat dit expliciet in het dictum te vermelden. De Hoge Raad ziet dit als een kennelijke misslag en leest hoofdelijkheid alsnog in het arrest. De straf wordt met één maand verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens oordeelde dat België het recht op een eerlijk proces heeft geschonden. Het vermoeden van onschuld geldt onverkort bij publieke uitlatingen van het openbaar ministerie. Dat vermoeden blijft ook van kracht na een veroordeling in eerste aanleg, zolang geen sprake is van een onherroepelijke beslissing. Uitlatingen van aanklagers mogen niet verder gaan dan het beschrijven van een staat van verdenking. Daarnaast vormt deelname van dezelfde rechter in feitelijke aanleg en cassatie een schending van het objectieve onpartijdigheidsbeginsel. Het tijdsverloop tussen beide procedures doet geen afbreuk aan het vertrouwen dat de burger mag hebben in een onpartijdige rechter.
Rechtbank Amsterdam 18 december 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:10661 en ECLI:NL:RBAMS:2025:10663
Twee feitelijke bestuurders van taxibedrijven zijn door de rechtbank Amsterdam veroordeeld voor grootschalige fraude. Zij trokken tussen 2016 en 2019 via katvanger-bv’s geld en voertuigen weg uit de vennootschappen zonder zakelijke tegenprestatie. De vennootschappen raakten hierdoor leeg en gingen failliet. In één zaak is daarnaast sprake van faillissementsfraude en het structureel onjuist opgeven van loonheffingen. De rechtbank acht beide verdachten strafbaar en legt gevangenisstraffen op van respectievelijk 18 en 24 maanden. De benadeling van de fiscus bedraagt ruim 1,3 miljoen euro.