Brunell en McArdle tegen Nederland: EHRM stelt schending van het onmiddellijkheidsbeginsel vast
/Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft op 1 september 2026 in de zaak Brunell en McArdle tegen Nederland unaniem een schending van artikel 6 lid 1 EVRM vastgesteld. Het gerechtshof Amsterdam had twee verdachten in 2018 veroordeeld tot dertien jaar gevangenisstraf wegens doodslag, nadat de rechtbank hen van dat feit had vrijgesproken omdat zij de verklaringen van getuige X niet betrouwbaar achtte. Het hof gebruikte die verklaringen wel voor het bewijs, maar hoorde de getuige niet zelf en wees een verzoek daartoe af. Het EHRM oordeelt dat de verklaringen van X beslissend waren, dat de betrouwbaarheid ervan uitdrukkelijk was betwist en dat het onmiddellijkheidsbeginsel in die situatie vereiste dat het hof de getuige in persoon hoorde. De Hoge Raad had de veroordeling in 2020 in stand gelaten; volgens het EHRM kon een cassatieberoep dit gebrek niet herstellen. Het EHRM wijst op de herzieningsgrond van artikel 457 lid 1 onder b Sv en noemt heropening van de procedure de meest passende vorm van herstel.
Read More