Hoge Raad verklaart cliënt niet-ontvankelijk in cassatieberoep over beslag op geschriften nu verschoningsrecht van advocaat onherroepelijk is afgewezen

Hoge Raad 14 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1232

De Hoge Raad verklaart de cliënt van een Duitse advocaat niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep tegen een beschikking van de rechtbank Limburg over de inbeslagneming van geschriften onder de klager naar aanleiding van een Europees onderzoeksbevel van de Duitse autoriteiten. Het gaat om handgeschreven notities en artikelen met aantekeningen die in beslag zijn genomen bij een doorzoeking op 28 februari 2023. De klager legt aan zijn beklag ten grondslag dat de stukken onder het verschoningsrecht van zijn Duitse advocaat vallen. De Hoge Raad verwerpt bij beschikking van dezelfde dag het cassatieberoep van de advocaat in diens eigen beklagzaak, ECLI:NL:HR:2026:1230, waardoor onherroepelijk vaststaat dat de stukken niet onder het verschoningsrecht vallen. Omdat in de beklagzaak van de beslagene het onherroepelijke oordeel in de beklagprocedure van de verschoningsgerechtigde tot uitgangspunt moet worden genomen, heeft de klager geen belang meer bij zijn cassatieberoep en volgt niet-ontvankelijkverklaring.

Achtergrond

De klager is een natuurlijk persoon, geboren in 1961. De zaak betreft geen veroordeling maar een beklagprocedure op grond van artikel 5.4.10 in samenhang met artikel 552a Sv; een tenlastelegging of opgelegde straf is niet aan de orde.

Op 16 februari 2023 vordert het functioneel parket te Rotterdam naar aanleiding van een Europees onderzoeksbevel van de Duitse officier van justitie dat de rechter-commissaris bij de rechtbank Limburg de bedrijfswoning van de klager doorzoekt ter inbeslagneming. Die doorzoeking vindt plaats op 28 februari 2023. Daarbij wordt beslag gelegd op diverse voorwerpen, waaronder ordners, handgeschreven notities en USB-sticks.

Op 7 maart 2023 dient de klager een klaagschrift in op grond van artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a Sv, met als grond dat de inbeslaggenomen voorwerpen onder het verschoningsrecht van zijn Duitse advocaat vallen. Op 3 april 2023 beslist de rechter-commissaris dat een deel van de stukken onder het verschoningsrecht valt, maar dat de stukken met de beslagnummers A.01.04.001, A.01.04.003, A.01.05.002 en A.01.05.003 daar niet onder vallen. De advocaat dient op 5 juni 2024, na betekening van de beschikking van de rechter-commissaris, een klaagschrift op grond van artikel 98 lid 4 Sv in. De klager dient op dezelfde datum eveneens een klaagschrift ex artikel 98 lid 4 Sv in.

De rechtbank behandelt alle klaagschriften op 15 juli 2025 gelijktijdig maar niet gevoegd en doet op 12 augustus 2025 bij afzonderlijke beschikkingen uitspraak. Zij verklaart het klaagschrift van de klager op grond van artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a Sv ongegrond. De rechtbank overweegt daartoe dat zij in de beschikking op het klaagschrift van de advocaat ex artikel 98 lid 4 Sv tot de conclusie is gekomen dat de betreffende stukken niet onder het verschoningsrecht vallen, zodat het verschoningsrecht geen beletsel vormt voor overdracht van de inbeslaggenomen stukken aan de Duitse autoriteiten. De zaak is een vervolg op de beschikking van de Hoge Raad van 9 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:565.

Cassatiemiddelen

Namens de klager stellen de advocaten T.H.L. Kneepkens en M.D. Rijnsburger cassatiemiddelen voor. De advocaat-generaal Van Kampen concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het cassatieberoep. Zij overweegt dat in een beklagzaak van de beslagene die niet de verschoningsgerechtigde is, het onherroepelijke oordeel in de beklagprocedure van de verschoningsgerechtigde tot uitgangspunt moet worden genomen, en dat de klager geen belang meer heeft bij zijn beklag als het cassatieberoep van de advocaat wordt verworpen.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad verwerpt bij beschikking van dezelfde dag in de beklagzaak van de advocaat van de klager, ECLI:NL:HR:2026:1230 (zaaknummer 25/04301), het cassatieberoep, waardoor in die zaak onherroepelijk is beslist. Dit brengt mee dat de Hoge Raad het cassatieberoep van de klager niet in behandeling kan nemen. De Hoge Raad verwijst voor de redenen daarvoor naar de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.1 en 3.2 en naar HR 9 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:565, rechtsoverwegingen 2.4.1 en 2.4.2. De cassatiemiddelen blijven buiten bespreking.

Beslissing van de Hoge Raad

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Lees hier de volledige uitspraak: ECLI:NL:HR:2026:1232

Print Friendly and PDF ^