Tussenbeslissing op beklag ex artikel 552a Sv over conservatoir anderbeslag; rechtbank heropent onderzoek om te beoordelen of sprake is van een schijnconstructie ex artikel 94a lid 4 Sv

Rechtbank Amsterdam 14 juli 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:7198

De rechtbank Amsterdam beslist op een klaagschrift ex artikel 552a Sv van de erven van een overleden persoon onder wie in het onderzoek Offside conservatoir anderbeslag ex artikel 94a lid 4 Sv is gelegd op een vordering en op banksaldi. Het beslag strekt tot bewaring van het verhaal voor een aan een hoofdverdachte op te leggen ontnemingsmaatregel van ruim 26 miljoen euro. De advocaat van de klagers betoogt dat de rechtbank niet langer kan volstaan met de marginale toets uit 2018 aan de hand van enkele aanwijzingen, maar nu ten volle moet vaststellen of sprake is van een schijnconstructie met het doel verhaalsfrustratie. Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat het beslag rechtmatig is en dat het overlijden van de beslagene aan de gestelde schijnconstructie niets verandert. De rechtbank oordeelt dat zij zonder de zaaksdossiers over het hotel en over de deelname aan een criminele organisatie niet kan beoordelen of de situatie van artikel 94a lid 4 of lid 5 Sv zich voordoet en of de beslagene te kwader trouw was. Zij heropent daarom het onderzoek in raadkamer, draagt het Openbaar Ministerie op het dossier aan te vullen en houdt iedere verdere beslissing aan.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad verklaart klager niet-ontvankelijk in cassatieberoep in beklagprocedure over verschoningsrecht bij een Europees onderzoeksbevel

Hoge Raad 14 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1231

De Hoge Raad verklaart een Duitse advocaat niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep tegen een beschikking van de rechtbank Limburg over de inbeslagneming van stukken onder zijn cliënt. De stukken, handgeschreven notities en artikelen met aantekeningen, zijn in beslag genomen naar aanleiding van een Europees onderzoeksbevel van de Duitse autoriteiten. De klager dient zowel een klaagschrift op grond van artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a Sv als een klaagschrift op grond van artikel 98 lid 4 Sv in, beide met de strekking dat de stukken onder zijn verschoningsrecht vallen. De rechtbank verklaart het eerste klaagschrift niet-ontvankelijk en het tweede ongegrond. De Hoge Raad verwerpt bij afzonderlijke beschikking van dezelfde dag het cassatieberoep tegen de beslissing op het klaagschrift ex artikel 98 lid 4 Sv, waardoor onherroepelijk vaststaat dat de stukken niet onder het verschoningsrecht vallen. Daardoor heeft de klager in de beklagprocedure geen belang meer en volgt niet-ontvankelijkverklaring.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad verklaart cliënt niet-ontvankelijk in cassatieberoep over beslag op geschriften nu verschoningsrecht van advocaat onherroepelijk is afgewezen

Hoge Raad 14 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1232

De Hoge Raad verklaart de cliënt van een Duitse advocaat niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep tegen een beschikking van de rechtbank Limburg over de inbeslagneming van geschriften onder de klager naar aanleiding van een Europees onderzoeksbevel van de Duitse autoriteiten. Het gaat om handgeschreven notities en artikelen met aantekeningen die in beslag zijn genomen bij een doorzoeking op 28 februari 2023. De klager legt aan zijn beklag ten grondslag dat de stukken onder het verschoningsrecht van zijn Duitse advocaat vallen. De Hoge Raad verwerpt bij beschikking van dezelfde dag het cassatieberoep van de advocaat in diens eigen beklagzaak, ECLI:NL:HR:2026:1230, waardoor onherroepelijk vaststaat dat de stukken niet onder het verschoningsrecht vallen. Omdat in de beklagzaak van de beslagene het onherroepelijke oordeel in de beklagprocedure van de verschoningsgerechtigde tot uitgangspunt moet worden genomen, heeft de klager geen belang meer bij zijn cassatieberoep en volgt niet-ontvankelijkverklaring.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep over beklag tegen beslag op kleding en gereedschap bij verdenking van diefstal

Hoge Raad 23 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:1006

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van een klager tegen een beklagbeschikking van de rechtbank Midden-Nederland over beslag op kledingstukken en gereedschappen. Het beslag is gelegd op grond van artikel 94 Sv in het kader van een verdenking van diefstal. De rechtbank verklaart de klager voor zover het de kleding en het gereedschap betreft niet-ontvankelijk in zijn beklag, en in cassatie wordt geklaagd dat de klager als beslagene ten onrechte niet als belanghebbende is aangemerkt en dat een onjuiste maatstaf is aangelegd. De Hoge Raad oordeelt dat de cassatiemiddelen niet tot cassatie kunnen leiden om de redenen die de advocaat-generaal in zijn conclusie onder 2.5 noemt. Volgens die conclusie zijn beide middelen terecht voorgesteld, maar leidt het slagen ervan wegens gebrek aan belang niet tot cassatie. De advocaat-generaal leest de overwegingen van de rechtbank zo dat de aangetroffen goederen op basis van summier onderzoek van diefstal afkomstig zijn, waarin besloten ligt dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert en zich tegen teruggave verzet.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Beleggingsfraude: hof houdt beslag op vastgoed in stand ondanks verkoop aan derde

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 juni 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:3465

Het OM legde in de zomer van 2023 strafvorderlijk beslag op een appartementencomplex in Tiel, omdat de eigenaar verdachte is in een onderzoek naar beleggingsfraude. Daarna verhuurde de eigenaar de appartementen en verkocht het complex aan een derde. Die koper vorderde in kort geding opheffing van de beslagen tegen vervangende zekerheid voor de koopsom. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wijst dat af: het OM hoeft de beslagen niet op te heffen. Als de huur en verkoop later een schijnconstructie blijken, kan een onverhuurd complex namelijk veel meer opbrengen dan de aangeboden zekerheid.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Derdenbeslag van tientallen miljoenen in kansspelonderzoek sneuvelt door onjuiste maatstaf

Hoge Raad 10 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:340

De Hoge Raad vernietigt een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant over conservatoir derdenbeslag in het strafrechtelijk onderzoek "Milwaukee". Dit onderzoek richt zich op het illegaal aanbieden van online kansspelen, witwassen en deelname aan een criminele organisatie. Op voorwerpen in Luxemburg, Zwitserland en België is beslag gelegd onder meerdere rechtspersonen die zelf geen verdachte zijn. De rechtbank verklaarde het beklag tegen dit beslag ongegrond, maar paste daarbij de maatstaf voor beslag onder de verdachte toe in plaats van de maatstaf voor derdenbeslag. De Hoge Raad oordeelt dat dit een onjuiste toetsing is en verwijst naar zijn beschikking in ECLI:NL:HR:2026:337 voor de juiste maatstaf. De zaak is teruggewezen naar de rechtbank Oost-Brabant voor een nieuwe behandeling.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad verduidelijkt einde ontnemingszaak bij beklag over conservatoir beslag op hardware wallet met bitcoins

Hoge Raad 3 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:256

Achtergrond

In deze zaak staat een klaagschrift ex artikel 552a Wetboek van Strafvordering centraal dat betrekking heeft op conservatoir beslag op een hardware wallet met daarin ongeveer zes bitcoins. De wallet is op 24 november 2020 tijdens een strafrechtelijk onderzoek met de naam “Rockport” in beslag genomen onder de broer van klager. Zowel klager als zijn broer waren in dat onderzoek verdachte.

Het aanvankelijke beslag vond plaats op grond van artikel 94 Sv. Vervolgens heeft het openbaar ministerie op 7 december 2020 conservatoir beslag gelegd op de hardware wallet op grond van artikel 94a Sv. Dit conservatoir beslag diende ter bewaring van het recht van verhaal voor een ontnemingsmaatregel die was opgelegd aan de broer van klager in een eerdere ontnemingsprocedure.

De strafzaak in het onderzoek Rockport heeft uiteindelijk niet tot vervolging geleid. De strafzaak tegen de broer van klager is op 29 maart 2021 geseponeerd. Ook de strafzaak tegen klager is geseponeerd, waarbij het openbaar ministerie dit later nog schriftelijk heeft bevestigd. Het klassieke strafvorderlijke beslag op grond van artikel 94 Sv is daarop opgeheven. Het conservatoire beslag ex artikel 94a Sv bleef echter bestaan, omdat dit verband hield met de reeds opgelegde ontnemingsmaatregel tegen de broer van klager.

Die ontnemingsmaatregel vloeit voort uit een eerdere strafzaak tegen de broer van klager waarin hij is veroordeeld wegens – kort gezegd – het medeplegen van auteursrechtinbreuk en het bedrijfsmatig voorhanden hebben en verspreiden van illegale dvd’s en cd’s. Deze gedragingen kwalificeren onder meer als strafbare feiten als bedoeld in de Auteurswet. Aan de broer is een gevangenisstraf van twaalf maanden opgelegd, waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. In de ontnemingsprocedure is hem daarnaast een verplichting opgelegd tot betaling van € 2.272.536,67 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Wetboek van Strafrecht.

Klager stelt dat de hardware wallet en de daarin aanwezige bitcoins niet aan zijn broer, maar aan hem toebehoren. Volgens klager heeft hij de wallet kort voor de beslaglegging aan zijn broer overhandigd met het verzoek om de bitcoins te verkopen, omdat zijn broer meer technische kennis had. Klager onderbouwt zijn eigendomsclaim onder meer met een belastingaangifte waarin de bitcoins als zijn vermogen zijn opgenomen. Daarnaast voert hij aan dat hij de waarde van de bitcoins nodig heeft om in zijn levensonderhoud en financiële verplichtingen te voorzien.

Op 21 november 2022 dient klager een klaagschrift ex artikel 552a Sv in strekkende tot opheffing van het conservatoire beslag en teruggave van de hardware wallet met bitcoins. Uiteindelijk komt de zaak terecht bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, dat het klaagschrift niet-ontvankelijk verklaart omdat het volgens het hof te laat is ingediend.

Middel

In cassatie klaagt klager dat het hof hem ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn beklag. Volgens het cassatiemiddel heeft het hof een onjuiste maatstaf toegepast bij de beoordeling van de termijn waarbinnen het klaagschrift moest worden ingediend.

Het hof heeft de ontvankelijkheid beoordeeld aan de hand van artikel 552a lid 4 Sv. Deze bepaling geldt voor gevallen waarin nog geen vervolging is ingesteld. In dat geval moet een klaagschrift uiterlijk binnen twee jaar na de inbeslagneming worden ingediend. Omdat het klaagschrift volgens het hof buiten die termijn zou zijn ingediend, heeft het hof klager niet-ontvankelijk verklaard.

Daarnaast overweegt het hof ten overvloede dat het klaagschrift ook niet-ontvankelijk zou zijn geweest indien artikel 552a lid 3 Sv van toepassing was geweest. Deze bepaling geldt wanneer wel een vervolging heeft plaatsgevonden en bepaalt dat het klaagschrift uiterlijk binnen drie maanden na het einde van de vervolgde zaak moet worden ingediend. Volgens het hof was die termijn eveneens verstreken, omdat de strafzaak tegen klager in maart 2021 was geseponeerd.

Het cassatiemiddel betoogt dat dit oordeel onjuist en onbegrijpelijk is, omdat het beslag verband houdt met een andere zaak, namelijk de ontnemingsprocedure tegen de broer van klager.

Beoordeling Hoge Raad

Beoordeling van het middel: toepasselijke termijn voor beklag

De Hoge Raad stelt voorop dat uit artikel 552a lid 3 Sv volgt dat een klaagschrift ontvankelijk is zolang nog geen drie maanden zijn verstreken nadat de vervolgde zaak tot een einde is gekomen. Wanneer sprake is van conservatoir beslag op grond van artikel 94a Sv, moet bij de vraag wanneer de vervolgde zaak tot een einde is gekomen worden gekeken naar de strafzaak of – indien het beslag strekt tot verhaal voor een ontnemingsmaatregel – naar de behandeling van de ontnemingsvordering.

Volgens de Hoge Raad is het oordeel van het hof dat artikel 552a lid 4 Sv van toepassing is onjuist. Uit de vaststellingen van het hof volgt immers dat sprake is van vervolging. In dat geval had het hof de ontvankelijkheid moeten beoordelen op grond van artikel 552a lid 3 Sv.

Ook de overweging ten overvloede van het hof houdt volgens de Hoge Raad geen stand. Het hof baseert daarin zijn oordeel op het sepot van de strafzaak tegen klager in het Rockport-onderzoek. Het beslag waartegen het beklag zich richt, houdt echter verband met een andere procedure, namelijk de ontnemingsprocedure tegen de broer van klager. Het oordeel van het hof is daarom niet begrijpelijk.

Wanneer eindigt de ontnemingszaak?

De Hoge Raad gaat vervolgens in op de vraag wanneer een ontnemingsprocedure moet worden geacht tot een einde te zijn gekomen in de zin van artikel 552a lid 3 Sv.

De Hoge Raad overweegt dat een onherroepelijke uitspraak op een ontnemingsvordering weliswaar geldt als executoriale titel, maar dat de tenuitvoerlegging daarvan pas kan plaatsvinden wanneer ook de onderliggende strafrechtelijke veroordeling – waarop artikel 36e Sr ziet – onherroepelijk is geworden. Daarnaast bepaalt artikel 511i Sv dat een ontnemingsuitspraak van rechtswege vervalt indien de strafzaak uiteindelijk niet tot een veroordeling leidt.

Daaruit leidt de Hoge Raad af dat wanneer de beslissing in de ontnemingsprocedure al onherroepelijk is, maar de strafrechtelijke veroordeling nog niet, de ontnemingszaak pas tot een einde komt wanneer ook die veroordeling onherroepelijk wordt.

Afdoening door de Hoge Raad

Hoewel de beschikking van het hof dus juridisch onjuist is gemotiveerd, leidt dit niet tot terugwijzing van de zaak. De Hoge Raad wijst erop dat inmiddels het cassatieberoep in de strafzaak tegen de broer van klager is verworpen. Daardoor is de veroordeling onherroepelijk geworden en kan de ontnemingsmaatregel worden geëxecuteerd.

Volgens artikel 6:4:4 Sv vindt verhaal op conservatoir in beslag genomen voorwerpen plaats volgens de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Die regels zijn ook van toepassing op derden die menen recht te hebben op de in beslag genomen goederen.

Dat betekent dat klager – die stelt eigenaar te zijn van de hardware wallet met bitcoins – zijn aanspraak niet via een strafrechtelijke beklagprocedure, maar via de civiele rechter moet laten beoordelen.

Omdat na terugwijzing slechts opnieuw een niet-ontvankelijkverklaring zou kunnen volgen, doet de Hoge Raad de zaak zelf af. De bestreden beschikking wordt vernietigd, maar het klaagschrift wordt alsnog niet-ontvankelijk verklaard.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

EOM Beslag op buitenlandse rekeningen en landbouwgronden houdt stand ondanks beroep op artikel 6 EVRM

Rechtbank Rotterdam 9 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1605

De rechtbank beoordeelt een beklag ex artikel 552a Sv tegen conservatoir beslag op bankrekeningen en onroerende goederen in Duitsland en Italië in een onderzoek van het Europees Openbaar Ministerie naar onder meer valsheid in geschrift en subsidiefraude. De klaagster voert aan dat geen sprake is van een redelijk vermoeden van schuld, dat het beslag disproportioneel is en dat haar recht op een effectieve verdediging ex artikel 6 EVRM wordt geschonden. De gedelegeerd Europees aanklager stelt dat sprake is van verdenking van misdrijven waarop een geldboete van de vijfde categorie staat en dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op ruim 1,3 miljoen euro. De rechtbank oordeelt dat het dossier voldoende is, dat sprake is van een redelijk vermoeden van schuld en dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat een geldboete of ontnemingsmaatregel wordt opgelegd. Het beslag wordt proportioneel geacht en het beklag wordt ongegrond verklaard.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Miljoenenbeslag Surinaamse geldzending definitief in stand na derde cassatie

Hoge Raad 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:49

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep tegen de beschikking van het gerechtshof Den Haag waarbij het beslag op een geldzending van 19,5 miljoen euro uit Suriname in stand blijft. De FIOD neemt het bedrag in 2018 op Schiphol in beslag wegens verdenking van witwassen; het geld is eigendom van drie Surinaamse handelsbanken en de Centrale Bank van Suriname treedt op als shipper. Het hof verklaart het beklag ongegrond en oordeelt dat de centrale bank geen immuniteit geniet, omdat het geld niet haar eigendom is maar dat van de handelsbanken. Ook acht het hof het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter later tot verbeurdverklaring zal overgaan.
In cassatie wordt onder meer geklaagd over het immuniteitsoordeel en de gehanteerde maatstaf bij de beoordeling van het beslag. De Hoge Raad past artikel 81 lid 1 RO toe en laat het oordeel van het hof zonder nadere motivering in stand, waarmee de beklagprocedure definitief is beëindigd.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Beslag op aandelen: een oplossing in buitenlandse ambtelijke omkopingszaken?

In 1997 tekende Nederland het OESO Anti-Corruptieverdrag. Door dit verdrag te ondertekenen verplicht Nederland zich om de omkoping van buitenlandse ambtenaren bij internationale zakelijke transacties te bestrijden. Het gaat met name om zaken waarin topambtenaren, vaak in ontwikkelingslanden, zich laten omkopen door (grote, vaak westerse) bedrijven om overheidscontracten, vergunningen of andere concessies te geven aan het bedrijf in kwestie. Hiermee wordt eerlijke concurrentie voor dergelijke concessies gehinderd en wordt de ontwikkeling van het land in kwestie gefrustreerd. Dit fenomeen wordt grand corruption genoemd, wanneer hiermee grote bedragen gepaard gaan, zowel in omkoping als in verkregen opdracht of contract, en geld dat bedoeld was voor de schatkist van het land (en ten goede zou moeten komen aan de gehele bevolking) wordt aangewend voor het voordeel van een klein aantal ambtenaren op hoog niveau in de overheid.Sectoren die specifiek kwetsbaar zijn voor grand corruption zijn met name mijnbouw en de energiesector.

Read More
Print Friendly and PDF ^