Afwijzing van verrekening van gestelde schade door late teruggave van in beslag genomen handelsvoorraad in ontnemingszaak na overtreding van de Sanctiewet 1977
/Gerechtshof Den Haag 11 augustus 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:2649
Het gerechtshof Den Haag beslist op 11 augustus 2026 in hoger beroep in een ontnemingszaak die volgt op een veroordeling wegens overtreding van de Sanctiewet 1977 en valsheid in geschrift bij de handel in dual-use goederen met Rusland. Het hof gaat uit van de door de FIOD met de transactiemethode gemaakte berekening en neemt de jaarrekening 2022 als basis voor de aftrekbare kosten, die het op 87 procent van de opbrengsten stelt. De door de verdediging gestelde schade door het niet tijdig teruggeven van de in beslag genomen handelsvoorraad komt volgens het hof niet voor aftrek in aanmerking, omdat die schade geen directe relatie heeft met de voltooiing van de strafbare feiten. Het hof gebruikt evenmin zijn bevoegdheid uit artikel 36e lid 5 Sr om die schade op de betalingsverplichting in mindering te brengen, omdat de wet niet in een dergelijke verrekening voorziet en de ontnemingsprocedure niet is ingericht op de behandeling van een reconventionele civiele vordering. Het draagkrachtverweer wordt verworpen omdat niet aannemelijk is dat de betrokkene nu en in de toekomst geen draagkracht zal hebben. Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 250.195 en legt een betalingsverplichting van gelijke hoogte op.
Inleiding en context
De zaak betreft een ontnemingsprocedure in hoger beroep tegen een natuurlijk persoon, geboren in 1982 en ten tijde van de uitspraak 44 jaar oud. De betrokkene is in de onderliggende strafzaak bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam van 17 oktober 2024 veroordeeld. Dat vonnis kwalificeert de feiten 1, 2 en 4 als medeplegen van het overtreden van de Sanctiewet 1977 en feit 3 als medeplegen van valsheid in geschrift. De feiten hangen samen met de illegale handel in tegen Rusland gesanctioneerde elektronica en computeronderdelen met zes bedrijven in uitwijklanden. Namens de betrokkene is hoger beroep ingesteld tegen de in eerste aanleg opgelegde ontnemingsmaatregel.
Over de pleegperiode bevat de uitspraak een discrepantie. Bij de weergave van het standpunt van het Openbaar Ministerie loopt de periode van 26 februari 2022 tot en met 11 juli 2023, terwijl het hof in zijn eigen overwegingen uitgaat van 26 februari 2022 tot en met 19 juli 2023.
De ontnemingsvordering en het wettelijk kader
De maatregel is gegrond op artikel 36e Sr. De vordering van het Openbaar Ministerie in eerste aanleg strekte tot betaling aan de Staat van € 500.391 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, Sr. Bij conclusie van repliek van 1 juli 2024 heeft de officier van justitie de vordering verlaagd tot € 298.310. De rechtbank Rotterdam heeft het voordeel bij vonnis van 17 oktober 2024 vastgesteld op € 298.310 en een betalingsverplichting van dat bedrag opgelegd.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal vordert bevestiging van het vonnis waarvan beroep. De totale opbrengst uit de strafbare feiten is berekend op € 1.924.579, waarop aftrekbare kosten van € 1.626.269 (84,5 procent van de omzet) in mindering worden gebracht, zodat een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 298.310 resteert. De advocaat-generaal betwist dat het Openbaar Ministerie aansprakelijk is voor de schade die zou zijn ontstaan door het niet tijdig teruggeven van de handelsvoorraad, en verzet zich tegen verrekening daarvan.
Standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit primair afwijzing en subsidiair vermindering van de vordering. Zij voert aan dat bij de berekening van het voordeel rekening moet worden gehouden met aanvullende aftrekbare kosten die volgens haar in de jaarrekeningen 2021 en 2022 ten onrechte niet op de totale opbrengst in mindering zijn gebracht, te weten transportkosten, verpakkingskosten, kosten voor programmering en testing, autokosten, huisvestingskosten en kantoorkosten. Daarnaast stelt de verdediging dat de betrokkene aanzienlijke schade heeft geleden doordat het Openbaar Ministerie zijn handelsvoorraad niet tijdig heeft teruggegeven. Deze winstderving wenst de betrokkene te verrekenen met het eventuele wederrechtelijk verkregen voordeel, dan wel met de betalingsverplichting, waarbij zij zich beroept op het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel. Ter terechtzitting in hoger beroep voert de betrokkene voorts een draagkrachtverweer en verzoekt de raadsman om opheffing van het resterende conservatoire beslag.
Oordeel gerecht
Het hof stelt voorop dat de ontnemingsmaatregel een reparatoir karakter heeft en de betrokkene beoogt terug te brengen in de vermogenspositie van vóór het plegen van de strafbare feiten. Bij de omvang van het voordeel gaat het hof uit van de door de FIOD met de transactiemethode gemaakte berekening in de ontnemingsrapportage van 11 december 2023.
Voor aftrek komen uitsluitend redelijke kosten in aanmerking die in een directe relatie staan tot de voltooiing van het delict, alsmede kosten die de betrokkene zonder het delict niet zou hebben gemaakt, en die daadwerkelijk en aantoonbaar door hem zijn betaald. Het hof stelt vast dat het Openbaar Ministerie al in aanzienlijke mate met kosten rekening heeft gehouden en bij conclusie van repliek een deel van de aanvullende posten, waaronder transportkosten, verpakkingskosten en kosten voor programmering en testing, als aftrekbaar heeft aangemerkt. De overige door de raadsman opgevoerde posten komen volgens het hof niet voor aftrek in aanmerking, omdat de directe relatie tot de voltooiing van het delict ontbreekt en de verdediging onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van andere bedrijfskosten met een zodanige directe relatie.
Omdat de feiten zijn gepleegd in de periode van 26 februari 2022 tot en met 19 juli 2023 neemt het hof de jaarrekening 2022 als uitgangspunt voor het percentage aftrekbare kosten. Dat percentage bedraagt 87 procent en bestaat uit de posten inkoopprijs van de verkopen en kosten van uitbesteed werk (75 procent), personeelskosten (5 procent) en verkoopkosten (7 procent). Toegepast op de opbrengst van € 1.924.579 leidt dit tot een bedrag aan aftrekbare kosten van € 1.674.384.
Over de gestelde schade door het niet tijdig teruggeven van de handelsvoorraad overweegt het hof dat de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel daarmee niet kan worden verminderd, omdat alleen redelijke kosten met een directe relatie tot de voltooiing van de strafbare feiten voor aftrek van het brutovoordeel in aanmerking komen en de gestelde schade daar niet onder valt. Het subsidiaire verzoek om die schade bij de vaststelling van de betalingsverplichting af te trekken wijst het hof eveneens af. Artikel 36e, vijfde lid, Sr verleent de rechter de bevoegdheid het te betalen bedrag lager vast te stellen dan het geschatte voordeel, maar het hof maakt daarvan geen gebruik. De raadsman stelt in feite dat het Openbaar Ministerie onrechtmatig heeft gehandeld en wenst de daaruit voortvloeiende schade te verrekenen, terwijl de wet niet in een dergelijke verrekening voorziet en de ontnemingsprocedure niet is ingericht op de behandeling van een dergelijke reconventionele civiele vordering. De beoordeling van de gegrondheid en de omvang van die vordering kan nadere bewijslevering vergen, waarvoor in de ontnemingsprocedure geen plaats is. De burgerlijke rechter is voor de behandeling van een dergelijke vordering beter toegerust. Het verweer wordt verworpen.
Het draagkrachtverweer verwerpt het hof eveneens. De draagkracht dient in beginsel in de executiefase aan de orde te worden gesteld en kan in het ontnemingsgeding alleen met vrucht worden opgeworpen indien aanstonds duidelijk is dat de betrokkene nu en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben. Volgens het hof is niet aannemelijk geworden dat de betrokkene ook in de toekomst geen draagkracht zal hebben. De genoemde uitgaven en schulden leiden niet tot de conclusie dat hij tot geen enkele betaling in staat zal zijn, waarbij het hof betrekt dat de betrokkene 44 jaar is, naar verwachting nog geruime tijd inkomen kan genereren en inkomen geniet uit een onderneming waarvan hij eigenaar is.
Het verzoek tot opheffing van het resterende conservatoire beslag wijst het hof af, omdat het niet aan de ontnemingsrechter is om te beslissen over een op grond van artikel 94a Sv gelegd beslag. Het conservatoire beslag gaat over in een executoriaal beslag zodra de ontnemingsbeschikking onherroepelijk is, waarna het te betalen bedrag op de in beslag genomen goederen kan worden verhaald.
Vaststelling van het voordeel en de betalingsverplichting
Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht. Het stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 250.195 en legt de betrokkene de verplichting op tot betaling van dat bedrag aan de Staat. De duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaalt het hof op 1095 dagen. Het toegepaste wettelijke voorschrift is artikel 36e Sr.
Lees hier de volledige uitspraak.
