De strijd tegen btw-fraude in Europa is in een stroomversnelling geraakt. Waar 2025 het jaar was van wetgevende doorbraken – de formele aanname van het ViDA-pakket, de eerste Nederlandse EPPO-veroordeling en een reeks richtinggevende arresten van het Hof van Justitie – staat 2026 in het teken van implementatie en handhaving. Met een Europees btw-nalevingsgat van €128 miljard over 2023 en een EPPO dat eind 2024 maar liefst 2.666 actieve onderzoeken telde met een geschatte schade van €24,8 miljard, is de urgentie onverminderd groot. Dit artikel analyseert de belangrijkste ontwikkelingen voor de fiscale praktijk.
De herziening van het Wetboek van Strafvordering behoort tot de grootste wetgevingsoperaties binnen het Nederlandse strafrecht van de afgelopen decennia. Het huidige wetboek dateert in de kern uit 1926 en is sindsdien vele malen gewijzigd, aangevuld en uitgebreid. Die gelaagde ontwikkeling heeft geleid tot een complex en gefragmenteerd geheel. Met het nieuwe Wetboek van Strafvordering beoogt de wetgever te komen tot een systematisch, toekomstbestendig en beter toegankelijk strafprocesrecht. Eind 2025 en begin 2026 zijn daarin opnieuw belangrijke stappen gezet.
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens oordeelde dat België het recht op een eerlijk proces heeft geschonden. Het vermoeden van onschuld geldt onverkort bij publieke uitlatingen van het openbaar ministerie. Dat vermoeden blijft ook van kracht na een veroordeling in eerste aanleg, zolang geen sprake is van een onherroepelijke beslissing. Uitlatingen van aanklagers mogen niet verder gaan dan het beschrijven van een staat van verdenking. Daarnaast vormt deelname van dezelfde rechter in feitelijke aanleg en cassatie een schending van het objectieve onpartijdigheidsbeginsel. Het tijdsverloop tussen beide procedures doet geen afbreuk aan het vertrouwen dat de burger mag hebben in een onpartijdige rechter.
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens oordeelt dat het opvragen van bankafschriften door de Italiaanse fiscus een inmenging vormt in het privéleven ex artikel 8 EVRM. De Italiaanse wetgeving geeft de belastingdienst een te ruime en onvoldoende begrensde discretionaire bevoegdheid om bankgegevens op te vragen. Een loutere verwijzing naar fiscale controledoeleinden is volgens het Hof onvoldoende om deze bevoegdheid te legitimeren. Daarnaast ontbreken effectieve procedurele waarborgen tegen willekeur en misbruik, zoals een motiveringsplicht of onafhankelijke toetsing. De fiscale rechter biedt geen effectieve rechtsbescherming, omdat onregelmatigheden in de bewijsgaring geen gevolgen hebben voor de aanslag. Het Hof concludeert dat de inmenging niet “in accordance with the law” is en stelt een schending van artikel 8 EVRM vast.