Brunell en McArdle tegen Nederland: EHRM stelt schending van het onmiddellijkheidsbeginsel vast

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft op 1 september 2026 uitspraak gedaan in de zaak Brunell en McArdle tegen Nederland, verzoekschriften 30395/20 en 31220/20. De Fourth Section (Vierde Sectie) van het EHRM stelt unaniem vast dat Nederland artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) heeft geschonden. De twee verzoekers, Ierse onderdanen, waren in 2017 door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van moord en doodslag, omdat de rechtbank de verklaringen van getuige X onvoldoende betrouwbaar achtte. Het gerechtshof Amsterdam vernietigde dat vonnis in 2018 en veroordeelde hen tot dertien jaar gevangenisstraf, met gebruik van diezelfde verklaringen, zonder de getuige zelf te horen. De Hoge Raad liet die veroordeling in januari 2020 in stand. Het EHRM oordeelt nu dat het hof, gelet op het onmiddellijkheidsbeginsel, de getuige in persoon had moeten horen voordat het de vrijspraak op basis van zijn verklaringen kon omzetten in een veroordeling. Deze blog zet de feiten, het procesverloop en de overwegingen van het EHRM op een rij.

De feiten en de verklaringen van getuige X

Op 24 februari 2009 werd aan de Diemerzeedijk in Amsterdam het in stukken gesneden lichaam van een man gevonden. De politie stelde vast dat het slachtoffer op 17 februari 2009 in een appartement in Rotterdam om het leven was gebracht door een of meer steekwonden. Telecomgegevens plaatsten X in dat appartement, waarna hij als verdachte werd aangemerkt. X werd in Ierland aangehouden en aan Nederland uitgeleverd. Hij beriep zich aanvankelijk op zijn zwijgrecht, maar nadat hij inzage had gekregen in het dossier en de onderzoeksresultaten legde hij tussen mei en juli 2011 verklaringen af waarin hij de twee verzoekers aanwees als degenen die het slachtoffer hadden gedood. Volgens X was hij op het moment van de steekpartij ongeveer twintig minuten weg om drank te halen en trof hij bij terugkomst het slachtoffer dood aan.

Op basis van deze verklaringen werden de verzoekers in 2011 in Ierland aangehouden. Op 10 december 2015 werd X door de rechter-commissaris gehoord in aanwezigheid van de raadslieden van de verzoekers, die hem vragen konden stellen. Doorslaggevend forensisch bewijs voor betrokkenheid bij de dood van het slachtoffer ontbrak; de zaak draaide, zoals ook de rechtbank later overwoog, om de betrouwbaarheid van de verklaringen van X en de geloofwaardigheid van de verzoekers.

Vrijspraak in eerste aanleg, veroordeling in hoger beroep

De rechtbank Amsterdam veroordeelde beide verzoekers op 15 mei 2017 wegens het gezamenlijk wegmaken van een lijk tot twee jaar gevangenisstraf, maar sprak hen vrij van moord en doodslag. De rechtbank overwoog dat X zichzelf buiten het appartement plaatste op het moment van de dood, dat hij pas was gaan verklaren nadat hem duidelijk was geworden dat telefoongegevens hem op de plaats delict plaatsten, en dat daarom hoge eisen aan de verifieerbaarheid van zijn verklaring moesten worden gesteld. Uit de telefoongegevens leidde de rechtbank af dat vermoedelijk juist een van de verzoekers, en niet X, het appartement tijdelijk had verlaten. Ook had X niets verklaard over een grote steekwond aan de kin van het slachtoffer, die in het dossier wel was vastgesteld. De rechtbank hield rekening met de reële mogelijkheid dat X zelf verantwoordelijk of medeverantwoordelijk was voor de dood van het slachtoffer en dat zijn verklaring was ingegeven door de wens zichzelf te ontlasten.

Het Openbaar Ministerie stelde hoger beroep in. Op de zittingen in april en mei 2018 verschenen de verzoekers niet; zij werden vertegenwoordigd door hun raadslieden. De raadsman van McArdle deed een voorwaardelijk verzoek om X en Brunell als getuige te horen, voor het geval het hof het bewijs zo zou waarderen dat een weerleggende verklaring van zijn cliënt nodig was. Het gerechtshof Amsterdam achtte die voorwaarde vervuld, maar wees het verzoek op 17 mei 2018 af. Het hof achtte het verzoek onvoldoende onderbouwd, paste gelet op het tijdstip van het verzoek het noodzakelijkheidscriterium toe en wees erop dat X al door de rechter-commissaris was gehoord in aanwezigheid van de verdediging. Het hof veroordeelde beide verzoekers wegens het medeplegen van doodslag en het wegmaken van een lijk tot dertien jaar gevangenisstraf. Het hof overwoog dat de verklaringen van X met behoedzaamheid moesten worden benaderd, maar dat zij op onderdelen werden bevestigd door telefoongegevens, reisbewegingen en het aantreffen van DNA van McArdle en van het slachtoffer op een kettingzaag, en daarom als betrouwbaar konden worden aangemerkt.

Cassatie: de Hoge Raad laat de veroordeling in stand

In cassatie klaagden de verzoekers dat het hof het verzoek tot het horen van X ontoereikend gemotiveerd had afgewezen en dat het hof X, gelet op artikel 6 EVRM, ambtshalve had moeten oproepen omdat zijn verklaring als beslissend bewijs was gebruikt. De advocaat-generaal concludeerde op 7 september 2019 tot verwerping van het beroep (ECLI:NL:PHR:2019:868). Hij wees erop dat noch de rechtbank noch het hof X in persoon had gehoord, dat beide instanties dezelfde schriftelijke verklaring hadden beoordeeld en dat de lezing van het hof niet fundamenteel afweek van die van de rechtbank.

De Hoge Raad verwierp het beroep op 28 januari 2020. De afwijzing van het getuigenverzoek achtte hij toereikend gemotiveerd. Artikel 6 EVRM stond volgens de Hoge Raad niet in de weg aan het gebruik van de verklaringen van X, nu het hof de betrouwbaarheid ervan behoedzaam had onderzocht en had uiteengezet waarom de verklaringen, anders dan de rechtbank had geoordeeld, steun vonden in objectief bewijs. Dit sluit aan bij het kader dat de Hoge Raad in zijn arrest van 16 oktober 2018 had gegeven: wanneer de rechter in eerste aanleg een belastende getuigenverklaring niet betrouwbaar acht en mede daarom vrijspreekt, moet de rechter in hoger beroep die de verklaring wel gebruikt in het bijzonder vermelden op welke gronden hij de verklaring betrouwbaar acht. Die gronden kunnen, maar hoeven niet te zijn ontleend aan een verhoor van de getuige in hoger beroep.

De beoordeling door het EHRM

De verzoekers dienden op 16 en 17 juli 2020 hun klachten in bij het EHRM. De zaak werd op 16 december 2022 gecommuniceerd aan de Nederlandse regering. De regering voerde aan dat het Nederlandse stelsel veel gewicht toekent aan verklaringen die tijdens het vooronderzoek ten overstaan van de rechter-commissaris zijn afgelegd, dat rechtbank en hof dezelfde schriftelijke verklaring hadden beoordeeld en dat het verschil in uitkomst voortkwam uit een andere waardering van hetzelfde bewijsmateriaal, en niet uit een nieuwe of ongetoetste bewijsbron. De regering verwees onder meer naar de arresten Ignat tegen Roemenië en Kashlev tegen Estland en naar de cassatiecontrole door de Hoge Raad als extra waarborg.

Het EHRM stelt voorop dat de toelaatbaarheid van bewijs een zaak van nationaal recht is en dat het Hof beoordeelt of de procedure als geheel eerlijk was. Het herhaalt dat het onmiddellijkheidsbeginsel een waarborg is in strafzaken waarin het oordeel van de rechter over het gedrag en de geloofwaardigheid van een getuige gevolgen kan hebben voor de verdachte. Wanneer een appelrechter bevoegd is de zaak in feite en in recht volledig te beoordelen, mag hij naar het oordeel van het EHRM een vrijspraak in beginsel niet omzetten in een veroordeling zonder rechtstreekse beoordeling van beslissend getuigenbewijs dat hij voor het eerst in het nadeel van de verdachte uitlegt.

Het EHRM merkt allereerst op dat het verzoek van McArdle om X te horen moet worden geacht mede namens Brunell te zijn gedaan, omdat zij medeverdachten waren en op dezelfde wijze door de procedure werden geraakt. Daarom hoeft het Hof niet te beoordelen of het hof X ambtshalve had moeten oproepen. Vervolgens stelt het EHRM vast dat de verklaringen van X beslissend waren. Het steunbewijs waarnaar het hof verwees, de telefoongegevens, de reisbewegingen en het DNA op de kettingzaag, kon volgens het EHRM dienen als steunbewijs voor het wegmaken van het lijk, maar voor de doodslag plaatste het de verzoekers alleen in het appartement. Het gaf geen inzicht in wat zich binnen had afgespeeld, in de volgorde van gebeurtenissen of in de rol van de betrokkenen. De verklaringen van X waren het enige bewijs dat de gebeurtenissen in het appartement beschreef en concreet gedrag aan de verzoekers toeschreef.

Het EHRM erkent dat het gebruik van schriftelijke verklaringen aanvaardbaar kan zijn voor rechters die een getuige niet zelf hebben gezien, maar wijst erop dat in die eerdere zaken de geloofwaardigheid van de getuige niet was betwist. Hier was de betrouwbaarheid van X door de verdediging consequent bestreden en door de rechtbank uitdrukkelijk in twijfel getrokken. Het Hof onderkent dat het gerechtshof een gedetailleerde en uitgebreide beoordeling van het bewijs heeft verricht en de verklaringen van X met een zekere behoedzaamheid heeft benaderd, maar stelt vast dat het hof de mondelinge verklaring die de kern van de zaak vormde uitsluitend op basis van het schriftelijke verslag opnieuw heeft gewaardeerd. Geen van de rechters die de verzoekers veroordeelden had X gehoord. De beoordeling van de betrouwbaarheid van een getuige omvat volgens het EHRM ook het gedrag van de getuige en de wijze waarop hij verklaart, elementen die niet volledig uit een schriftelijke weergave zijn af te leiden. Omstandigheden die het horen objectief onmogelijk maakten, zoals overlijden van de getuige of bescherming tegen zelfincriminatie, zijn niet gesteld of gebleken.

Het EHRM concludeert dat artikel 6 lid 1 EVRM in deze omstandigheden vereiste dat de getuige opnieuw werd gehoord. Dat gebrek kon volgens het Hof niet worden hersteld door een beoordeling in cassatie die beperkt is tot rechtsvragen, en de Hoge Raad heeft de zaak niet terugverwezen naar het hof voor een nieuw verhoor. Het cassatieberoep vormde daarom geen toereikende waarborg voor de eerlijkheid van de procedure als geheel. De afzonderlijke klacht van McArdle onder artikel 6 lid 3 onder d EVRM behoeft naar het oordeel van het EHRM geen afzonderlijke behandeling.

Artikel 41 en herziening

De verzoekers hebben geen schadevergoeding gevorderd. Zij vroegen het EHRM om vaststelling van de schending zodat zij een nieuwe behandeling of heropening van de nationale procedure kunnen verzoeken; de regering deelde het standpunt dat de vaststelling van een schending volstaat als billijke genoegdoening. Het EHRM overweegt, onder verwijzing naar onder meer Öcalan tegen Turkije en Cabral tegen Nederland, dat heropening of een nieuwe behandeling op verzoek van de betrokkene in beginsel een passend middel is om een schending van artikel 6 EVRM te herstellen. Het Hof wijst daarbij op artikel 457 lid 1 onder b van het Wetboek van Strafvordering, dat herziening mogelijk maakt na een uitspraak van het EHRM waarin een verdragsschending is vastgesteld. Heropening van de procedure is volgens het EHRM de meest passende vorm van herstel, mocht daarom worden verzocht.

In een bericht op LinkedIn heeft de raadsman van McArdle laten weten op korte termijn een herzieningsverzoek bij de Hoge Raad te zullen indienen. Volgens de verdediging moet de uitspraak leiden tot bijstelling van de rechtspraak van de Hoge Raad uit 2018, die de appelrechter in deze gevallen verplicht tot een bijzondere motivering maar niet tot het horen van de getuige. Het EHRM spreekt zich in het arrest niet in algemene zin uit over dat Nederlandse kader; het beperkt zijn oordeel tot de vraag of de procedure tegen deze verzoekers als geheel eerlijk was.

Afsluiting

Het EHRM heeft op 1 september 2026 unaniem een schending van artikel 6 lid 1 EVRM vastgesteld, omdat het gerechtshof Amsterdam de vrijspraak van de verzoekers heeft omgezet in een veroordeling wegens doodslag op basis van de beslissende verklaringen van een getuige wiens betrouwbaarheid was betwist, zonder die getuige zelf te horen. De vaststelling van de schending geldt als voldoende billijke genoegdoening; het EHRM noemt heropening van de nationale procedure de meest passende vorm van herstel. Het arrest wordt definitief onder de voorwaarden van artikel 44 lid 2 EVRM. Een herzieningsverzoek op grond van artikel 457 lid 1 onder b Sv is aangekondigd, maar nog niet ingediend. Over de vraag of en hoe de Hoge Raad zijn kader uit het arrest van 16 oktober 2018 zal aanpassen, is niets bekend.

Klik hier voor de volledige uitspraak.

, , ,
Print Friendly and PDF ^