Zakelijk gedrag en ondergronds bankieren in Nederlandse witwasnetwerken onderzocht

Op 14 juli 2026 verscheen in het tijdschrift Crime, Law and Social Change het artikel Understanding the formation of co-offending ties in money laundering networks in the Netherlands. De auteurs, Jo-Anne Kramer (Vrije Universiteit Amsterdam en het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving), Ieke de Vries (Universiteit Leiden) en Arjan Blokland (NSCR en Universiteit Leiden), onderzoeken hoe financiële facilitators die diensten verlenen aan drugscriminelen onderling samenwerkingsrelaties aangaan. Witwassen is in Nederland strafbaar gesteld in de artikelen 420bis tot en met 420quinquies van het Wetboek van Strafvordering; de studie richt zich niet op de strafbaarstelling zelf, maar op de sociale structuur van de netwerken waarbinnen professionele witwassers opereren. Onder financiële facilitators verstaan de auteurs personen die niet bij het grondmisdrijf betrokken zijn, maar tegen betaling hun financiële expertise inzetten om de opbrengsten van anderen wit te wassen. Het onderzoek bouwt voort op een eerdere studie van dezelfde onderzoekslijn, Money laundering as a service, en verlegt de aandacht van de vraag óf facilitators samenwerken naar de vraag welke factoren die samenwerking verklaren.

Opzet van het onderzoek

De gegevens zijn afkomstig uit registers van de Nederlandse politie en betreffen een doelgerichte steekproef van financiële facilitators die in ten minste één strafzaak in de periode 2016 tot en met 2020 witwasdiensten aan drugscriminelen verleenden. Uit de oorspronkelijke steekproef van 198 facilitators, gebruikt in de eerdere studie, zijn voor dit onderzoek de 117 facilitators geselecteerd die geregistreerd contact hadden met ten minste één andere facilitator. Deze 117 personen vormen de knooppunten in het netwerk. De onderlinge contacten, gedocumenteerd door de politie via bijvoorbeeld observatie of het opnemen van telecommunicatie, vormen de 114 verbindingen tussen die knooppunten. Money mules, katvangers en personen die uitsluitend hun eigen criminele opbrengsten witwasten zijn buiten de steekproef gehouden. De onderzoekers hebben de 28 door de politie geregistreerde expertisevelden teruggebracht tot zeven categorieën: ondergronds bankieren (47,0 procent), financieel advies (17,1 procent), vastgoed (16,2 procent), notariaat (6,8 procent), ondernemerschap (6,0 procent), aanbieders van cryptodiensten (4,3 procent) en het beheer van rechtspersonen (2,6 procent).

Onderzochte kenmerken en methode

De auteurs toetsen vier hypothesen aan de hand van drie soorten kenmerken: kenmerken van de individuele facilitator, kenmerken van de relatie tussen twee facilitators en structurele kenmerken van het netwerk als geheel. Het eerste kenmerk is zakelijk gedrag, geoperationaliseerd via het aantal strafzaken waarin een facilitator als verdachte voorkomt, het aantal criminele contacten binnen die zaken en het aantal terugkerende criminele contacten. Deze maat meet contacten met niet-facilitators, zoals de criminele opdrachtgevers, en staat daarmee los van de uitkomstmaat, die de samenwerking tússen facilitators weergeeft. Daarnaast onderzoeken de auteurs homofilie op basis van expertise, waarbij zij ondergrondse bankiers afzetten tegen alle overige facilitators. Als structureel kenmerk toetsen zij transitiviteit, oftewel de neiging om driehoeksrelaties te vormen in plaats van losse tweetallen. Voor de analyse gebruiken de onderzoekers exponential random graph models, een netwerkstatistische techniek die de waargenomen structuur vergelijkt met een reeks aselect gegenereerde netwerken met eenzelfde aantal knooppunten en verbindingen.

Zakelijk gedrag en het aantal contacten

Uit het basismodel volgt dat facilitators die zich zakelijker gedragen een hogere kans hebben op een samenwerkingsrelatie met andere facilitators. Het onderscheid tussen ondergrondse bankiers en overige facilitators is in dit model op zichzelf niet significant. Wanneer de onderzoekers het netwerk opsplitsen, blijkt het verband tussen zakelijk gedrag en contactvorming vooral op te gaan voor facilitators die geen ondergronds bankier zijn. Binnen het deelnetwerk van ondergrondse bankiers is dat verband niet langer significant. De auteurs merken op dat de maat voor zakelijk gedrag de interactie met criminele opdrachtgevers weergeeft en niet de onderlinge samenwerking, zodat het gevonden verband een empirisch patroon weerspiegelt dat kan voortkomen uit bredere criminele activiteit en de daaruit voortvloeiende gelegenheid tot samenwerking.

Samenwerking tussen ondergrondse bankiers

Het tweede resultaat betreft de samenstelling van de samenwerkingsrelaties. Expertise op zichzelf hangt niet samen met de kans op een verbinding, maar twee facilitators uit dezelfde expertisegroep hebben wel een hogere kans om met elkaar samen te werken. Concreet betekent dit dat ondergrondse bankiers vaker samenwerken met andere ondergrondse bankiers dan met facilitators uit andere groepen. De auteurs verbinden dit aan de aard van ondergronds bankieren, waarbij het overbrengen van geld zonder fysieke verplaatsing samenwerking met andere ondergrondse bankiers veronderstelt. Zij verwijzen naar eerder kwalitatief onderzoek waaruit naar voren komt dat dergelijke samenwerking mede berust op familiaire en etnische banden. Binnen Nederland komt die samenwerking bijvoorbeeld voor wanneer familieleden gezamenlijk dezelfde klanten bedienen of onderling bedragen en valuta verrekenen.

Neiging tot driehoeksrelaties

Het derde resultaat betreft de structuur van het netwerk. De analyse wijst op een neiging tot transitiviteit, waarbij facilitators eerder een driehoek sluiten dan een open relatie laten bestaan. Deze neiging doet zich vooral voor binnen het deelnetwerk van ondergrondse bankiers. De auteurs dragen twee mogelijke verklaringen aan. De eerste is dat driehoeksrelaties in besloten netwerken de onderlinge controle en het vertrouwen vergroten, wat de veiligheid ten goede komt. De tweede is dat de waargenomen driehoeksvorming een bijproduct kan zijn van homofilie, omdat netwerken met veel gelijksoortige deelnemers doorgaans ook meer gesloten driehoeken vertonen. Beide verklaringen sluiten aan bij het beeld van ondergrondse bankiers als een relatief besloten gemeenschap met sterke onderlinge banden.

Beperkingen van de data

De auteurs benoemen verschillende beperkingen. De belangrijkste betreft mogelijke vertekening door selectieve opsporing: de politie onderzoekt ondergrondse bankiers en hun omgeving stelselmatiger dan andere typen facilitators, die vaker slechts aan de rand van een onderzoek naar een grondmisdrijf in beeld komen. Daardoor kunnen de contacten van beide groepen ongelijk zijn geregistreerd, wat zowel de gevonden samenwerking binnen de groep ondergrondse bankiers als de gevonden neiging tot driehoeksvorming kan hebben versterkt. Een tweede beperking is dat alleen het bestaan van een contact is vastgelegd en niet de aard of inhoud daarvan, waardoor de mate van samenwerking kan worden overschat. Een derde beperking betreft de lage dichtheid van het netwerk, waarbij slechts een klein deel van de in beginsel mogelijke verbindingen daadwerkelijk is waargenomen. De onderliggende data zijn wegens hun gevoelige aard niet openbaar; ze kunnen op verzoek en na toestemming van de Nationale Politie worden verkregen. Het onderzoek is gefinancierd door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek en verwerkte alleen gepseudonimiseerde gegevens.

Conclusies van de auteurs

De auteurs concluderen dat de vorming van samenwerkingsrelaties tussen financiële facilitators samenhangt met aanwijsbare individuele, relationele en structurele factoren, en dat de resulterende netwerken witwasconstructies mogelijk maken die een enkele facilitator niet alleen zou kunnen uitvoeren. Zij stellen dat facilitators die zich zakelijker gedragen, met meer criminele opdrachtgevers en meer strafzaken, doorgaans centralere posities in het netwerk innemen. Op grond daarvan formuleren zij dat opsporingsonderzoek naar financiële facilitators zich volgens hen zou moeten uitstrekken tot het in kaart brengen en analyseren van hun samenwerkingsnetwerken, in aanvulling op onderzoek naar individuele facilitators. Zij plaatsen deze conclusie nadrukkelijk in het licht van de genoemde databeperkingen en presenteren het onderzoek als een eerste stap. Voor vervolgonderzoek noemen zij toetsing in andere jurisdicties en met andere gegevensbronnen, alsook kwalitatief onderzoek naar strafdossiers om de aard van de samenwerkingsrelaties nader te duiden.

Afsluiting

Het artikel is op 14 juli 2026 als open access publicatie verschenen in Crime, Law and Social Change en is gebaseerd op politieregistraties over 117 financiële facilitators uit de periode 2016 tot en met 2020. De centrale bevindingen zijn dat zakelijker opererende facilitators vaker samenwerkingsrelaties aangaan, dat dit verband vooral geldt buiten de groep ondergrondse bankiers, dat ondergrondse bankiers vooral onderling samenwerken en dat binnen die groep een neiging tot driehoeksrelaties bestaat. De auteurs wijzen erop dat de resultaten met terughoudendheid moeten worden gelezen vanwege mogelijke vertekening door selectieve opsporing en de lage dichtheid van het waargenomen netwerk.

Klik hier voor het volledige artikel.

Print Friendly and PDF ^