Rechtbank Oost-Brabant 13 oktober 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:7292, ECLI:NL:RBOBR:2026:7291 en ECLI:NL:RBOBR:2026:7290
De rechtbank Oost-Brabant doet op 13 oktober 2026 uitspraak in drie fiscale strafzaken die gelijktijdig zijn behandeld en die gaan over het opzettelijk onjuist en niet of niet tijdig doen van aangiften omzetbelasting. De eigenaar van een eenmanszaak en zijn toenmalige echtgenote, die de administratie voerde, worden veroordeeld voor het medeplegen van onjuiste aangiften over twee kwartalen en het niet of niet tijdig doen van aangiften over vijf kwartalen, met een benadeling van ruim € 220.000. De rechtbank verwerpt het verweer van de echtgenote dat zij als niet-aangifteplichtige buiten het bereik van artikel 69 AWR valt, omdat dat aan medeplegen met de aangifteplichtige niet in de weg staat. Bij de eigenaar leidt de rechtbank voorwaardelijk opzet af uit het nalaten van toezicht op de aangiften, terwijl hij wist dat de Belastingdienst beslag had gelegd. Beiden krijgen een taakstraf van 60 en 120 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden, lager dan geëist vanwege hun persoonlijke omstandigheden en de overschrijding van de redelijke termijn. Een rechtspersoon, waarvan de vertegenwoordiger in het vonnis als medeverdachte wordt aangeduid, krijgt een geldboete van € 10.000 voor twee nihilaangiften en negen niet of niet tijdig gedane aangiften.
Read More