Taakstraffen voor twee medeverdachten wegens fiscale fraude bij verhuur van vakantieparken buiten de administratie, afgedaan met procesafspraken in hoger beroep

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeelt op 4 augustus 2026 twee medeverdachten uit hetzelfde onderzoek Rabarber wegens fiscale fraude bij een onderneming die vakantieparken exploiteert. Binnen de onderneming is jarenlang een specifieke verhuur aan zogenoemde rangers buiten de administratie gehouden en contant afgerekend, waardoor te weinig belasting is geheven. De zaken worden in hoger beroep afgedaan op basis van procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging. De bewezenverklaring, de kwalificatie en de strafbaarheid uit de vonnissen van de rechtbank Oost-Brabant blijven in stand. Het hof vernietigt uitsluitend de strafoplegging en legt in beide zaken een deels voorwaardelijke taakstraf op, zonder de door de rechtbank opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf. De ene verdachte krijgt een taakstraf van 240 uren en de andere een taakstraf van 180 uren, telkens met 40 uren voorwaardelijk en een proeftijd van één jaar.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Conclusie advocaat-generaal over samenloop van verzuimboete en strafvervolging voor het opzettelijk niet betalen van omzetbelasting en over de strafuitsluitingsgrond van artikel 69a lid 3 AWR

Parket bij de Hoge Raad 23 juni 2026, ECLI:NL:PHR:2026:845

De advocaat-generaal concludeert tot verwerping van het cassatieberoep van een boekhouder die is veroordeeld wegens het opzettelijk niet betalen van omzetbelasting over drie kwartalen (artikel 69a lid 1 AWR), zonder oplegging van straf of maatregel. Het eerste middel betoogt dat de eerder opgelegde verzuimboetes van artikel 67c AWR hetzelfde feit betreffen en dat het feitsbegrip van artikel 50 Handvest had moeten worden toegepast. De advocaat-generaal stelt vast dat artikel 50 Handvest in deze zaak van toepassing is, maar dat het Handvest niet dwingt tot eenzelfde uitleg van het feitsbegrip in artikel 68 Sr en artikel 255 Sv, omdat het Nederlandse stelsel een tweede vervolging categorisch blokkeert waar het Unierecht cumulatie onder voorwaarden toestaat. Het tweede middel richt zich tegen de verwerping van het beroep op de strafuitsluitingsgrond van artikel 69a lid 3 AWR. De advocaat-generaal meent dat een natuurlijk persoon per tijdvak uitstel van betaling moet verzoeken en dat mededelingen aan een belastingambtenaar over betalingsproblemen geen verzoek om uitstel inhouden. Ambtshalve merkt hij op dat de redelijke termijn in cassatie wordt overschreden, wat gelet op de toepassing van artikel 9a Sr geen gevolgen behoeft te hebben.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Veroordeling van feitelijk leidinggever tot gevangenisstraf voor het niet voeren en niet beschikbaar stellen van de administratie van vijf vennootschappen

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29 juli 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:4943

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeelt een bestuurder als feitelijk leidinggever van vijf besloten vennootschappen voor het opzettelijk niet voeren van een administratie en het niet beschikbaar stellen van de boeken aan de Belastingdienst. Bij twee vennootschappen is daarnaast de bewaarplicht geschonden. De bestuurder biedt de belastinginspecteur inlogcodes van zijn boekhoudprogramma aan, maar het hof oordeelt dat dit geen aanvaardbare wijze van inzage is en dat aangeboden ruwe data geen administratie in de zin van artikel 52 AWR vormt. Het verweer dat een van de vennootschappen nooit activiteiten ontplooit, treft geen doel omdat ook dan de vermogenspositie kenbaar moet zijn. Medeplegen acht het hof niet bewezen, omdat de bestuurder zelf de kwaliteit van belastingplichtige bezit en de rechtspersoon geen eigen bijdrage levert die zich daarvan onderscheidt. Het hof legt een gevangenisstraf van twaalf maanden op en ontzet de bestuurder voor drie jaren uit het beroep van bestuurder van een rechtspersoon.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak in vier samenhangende zaken van overtreding van de zorgplicht van de vervoerder (artikel 4 Vreemdelingenwet 2000) bij niet-visumplichtige derdelanders met verstreken vrije termijn

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch spreekt op 21 juli 2026 in vier samenhangende zaken een vervoerder vrij van overtreding van de zorgplicht uit artikel 4 lid 1 van de Vreemdelingenwet 2000. In alle zaken vervoert de vervoerder per vliegtuig een niet-visumplichtige derdelander van London Stansted naar Eindhoven, van wie bij de grenscontrole blijkt dat de vrije termijn van negentig dagen binnen honderdtachtig dagen is verstreken. Het hof oordeelt dat de zorgplicht van de vervoerder niet zo ver reikt dat aan de hand van stempels in het reisdocument moet worden gecontroleerd of eerder verblijf in het Schengengebied tot overschrijding van de vrije termijn heeft geleid. Die controle gaat verder dan het toezicht dat redelijkerwijs van de vervoerder kan worden gevorderd. Het hof leidt dit onder meer af uit de destijds geldende Vreemdelingencirculaire 2000, waarin stempelcontrole niet was opgenomen, en uit de wijziging van die circulaire per 12 oktober 2025 in verband met het inreis-uitreissysteem. In drie zaken vordert het Openbaar Ministerie bewezenverklaring en een geldboete, in de vierde zaak vordert het zelf vrijspraak.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad over de verboden combinatie van gevangenisstraf en taakstraf onder artikel 9 lid 4 Sr en de rol van de voorlopige hechtenis

Hoge Raad 18 augustus 2026, ECLI:NL:HR:2026:1351

De Hoge Raad vernietigt de strafoplegging in een economische strafzaak en wijst de zaak op dat punt terug naar het gerechtshof Amsterdam. Het hof veroordeelt de verdachte wegens witwassen, medeplegen van het voorhanden hebben van grote hoeveelheden professioneel vuurwerk, het voorhanden hebben van munitie en het voorhanden hebben van een jammer tot een gevangenisstraf van twintig maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk, en een taakstraf van 240 uren. Het derde cassatiemiddel klaagt dat deze combinatie van straffen wettelijk niet is toegestaan. De Hoge Raad oordeelt dat onder het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf wordt verstaan, en dat daarbij niet van belang is hoeveel tijd de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Omdat het onvoorwaardelijke deel tien maanden bedraagt en daarmee de grens van zes maanden uit artikel 9 lid 4 Sr overschrijdt, mag daarnaast geen taakstraf worden opgelegd. De eerste twee cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie op grond van artikel 81 lid 1 RO.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad oordeelt dat artikel 4 onder d Sr geen rechtsmacht biedt bij het in het buitenland valselijk opmaken van een IND-formulier voor een nareisprocedure

Hoge Raad 14 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1265

De Hoge Raad beantwoordt prejudiciële vragen van het gerechtshof 's-Hertogenbosch over de rechtsmacht van Nederland bij het in het buitenland valselijk opmaken van een IND-formulier ten behoeve van een nareisprocedure. De verdachte, die de Syrische nationaliteit heeft, vult in Turkije een formulier "Bijlage Verklaring burgerlijke staat" van de IND onjuist in om via gezinshereniging naar Nederland te komen. Het hof vraagt of artikel 4 aanhef en onder d Sr rechtsmacht biedt voor dit feit, dat is toegesneden op artikel 225 lid 1 Sr. De Hoge Raad beantwoordt die vraag ontkennend en oordeelt dat de verwijzing naar artikel 225 Sr in artikel 4 onder d Sr, gelet op de wetsgeschiedenis, uitsluitend betrekking heeft op valsheidsdelicten met betrekking tot specifieke, door een overheidsinstelling uitgegeven geschriften die op zichzelf een zekere economische waarde vertegenwoordigen. De Hoge Raad merkt daarbij op dat bij gebruik van het geschrift als bedoeld in artikel 225 lid 2 Sr de plaats waar het geschrift is ingeleverd of naartoe is gezonden mede als pleegplaats geldt, zodat bij inlevering in Nederland rechtsmacht op grond van artikel 2 Sr kan bestaan.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Schorsing van de vervolging omdat verdachte door de gevolgen van ALS niet effectief aan het strafproces kan deelnemen

Rechtbank Oost-Brabant 23 juni 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:4630

De rechtbank Oost-Brabant schorst de vervolging van een verdachte die wordt aangemerkt als hoofdverdachte in een omvangrijke strafzaak over hennepteelt, voorbereiding van cocaïnetransporten, gewoontewitwassen en leiding geven aan twee criminele organisaties. De verdachte lijdt aan de ziekte ALS, ligt continu aan de beademing en is volledig afhankelijk van anderen. De rechtbank stelt vast dat op basis van de stukken niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de strekking van de vervolging niet begrijpt, zodat de letterlijke tekst van artikel 16 Sv niet van toepassing is. De rechtbank oordeelt echter dat de reikwijdte van artikel 16 Sv, bezien tegen de achtergrond van artikel 6 EVRM, verder strekt dan de letterlijke tekst suggereert. Ook wanneer een verdachte door medische beperkingen niet effectief aan de strafprocedure kan deelnemen, bestaat aanleiding de vervolging te schorsen. Omdat de verdachte geen verklaring kan afleggen, niet ter zitting kan verschijnen en geen zinvol overleg met zijn raadsman kan voeren, schorst de rechtbank de vervolging in de stand waarin deze zich bevindt.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Veroordeling van twee rechtspersonen en hun bestuurder voor valsheid in geschrift en fraude met de subsidieregeling Coronabanen in de zorg

De rechtbank Rotterdam doet op 14 juli 2026 uitspraak in drie samenhangende zaken over fraude met de subsidieregeling Coronabanen in de zorg (COZO). Twee rechtspersonen en hun bestuurder dienen valse COZO-vaststellingen in bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en wenden de ontvangen subsidiegelden aan voor andere doeleinden dan de financiering van zorgpersoneel. De rechtbank rekent de gedragingen aan beide rechtspersonen toe en veroordeelt hen tot geldboetes van € 27.000 en € 12.000. De bestuurder wordt als feitelijke leidinggever veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, een taakstraf van 240 uur en een bestuursverbod van vijf jaren. Het verweer dat opzet en oogmerk ontbreken omdat op door derden aangeleverde gegevens is vertrouwd, verwerpt de rechtbank als ongeloofwaardig. De vorderingen van het Ministerie VWS worden toegewezen tot in totaal € 375.677,04.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Afwijzing van verrekening van gestelde schade door late teruggave van in beslag genomen handelsvoorraad in ontnemingszaak na overtreding van de Sanctiewet 1977

Gerechtshof Den Haag 11 augustus 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:2649

Het gerechtshof Den Haag beslist op 11 augustus 2026 in hoger beroep in een ontnemingszaak die volgt op een veroordeling wegens overtreding van de Sanctiewet 1977 en valsheid in geschrift bij de handel in dual-use goederen met Rusland. Het hof gaat uit van de door de FIOD met de transactiemethode gemaakte berekening en neemt de jaarrekening 2022 als basis voor de aftrekbare kosten, die het op 87 procent van de opbrengsten stelt. De door de verdediging gestelde schade door het niet tijdig teruggeven van de in beslag genomen handelsvoorraad komt volgens het hof niet voor aftrek in aanmerking, omdat die schade geen directe relatie heeft met de voltooiing van de strafbare feiten. Het hof gebruikt evenmin zijn bevoegdheid uit artikel 36e lid 5 Sr om die schade op de betalingsverplichting in mindering te brengen, omdat de wet niet in een dergelijke verrekening voorziet en de ontnemingsprocedure niet is ingericht op de behandeling van een reconventionele civiele vordering. Het draagkrachtverweer wordt verworpen omdat niet aannemelijk is dat de betrokkene nu en in de toekomst geen draagkracht zal hebben. Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 250.195 en legt een betalingsverplichting van gelijke hoogte op.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Onverhoedse seksuele aanraking kan dwang opleveren in de zin van artikel 241 lid 2 Sr, zodat het strafmaximum en de verjaringstermijn niet in het voordeel van de verdachte zijn gewijzigd

Hoge Raad 14 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1235

De Hoge Raad vernietigt in een OM-cassatie de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging van een verdachte wegens feitelijke aanranding van de eerbaarheid in 2004, artikel 246 (oud) Sr. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch oordeelt dat de tenlastegelegde onverhoedse seksuele aanrakingen na inwerkingtreding van de Wet seksuele misdrijven op 1 juli 2024 uitsluitend onder de opzetaanranding van artikel 241 lid 1 Sr vallen, met een strafmaximum van zes jaren, waardoor het feit is verjaard. De Hoge Raad overweegt dat van dwang in de zin van artikel 241 lid 2 Sr onder meer sprake kan zijn als ontuchtige handelingen een onverhoeds karakter hebben waardoor het slachtoffer gedwongen is geweest die handelingen te dulden. Het hof legt aan zijn oordeel over de verjaring een onjuiste rechtsopvatting ten grondslag door aan te nemen dat onverhoedse aanrakingen nooit als dwang in de zin van artikel 241 lid 2 Sr kunnen worden gekwalificeerd. Het strafmaximum van acht jaren gevangenisstraf en de daarbij behorende verjaringstermijn van twintig jaren zijn daardoor ongewijzigd gebleven. De zaak is teruggewezen naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Read More
Print Friendly and PDF ^