Ponzi-oplichter veroordeeld tot 38 maanden gevangenisstraf

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 7 januari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:30

Een man wordt veroordeeld voor het feitelijk leidinggeven aan grootschalige oplichting via een Ponzifraude met niet-bestaande bitcoinminers. Hij presenteert zich als miningexpert en verkoopt zogenaamd rendabele miningapparatuur via zijn vennootschappen. In werkelijkheid bestaan noch de miners, noch een miningfarm en worden investeerders betaald met nieuw ingelegd geld. In totaal wordt voor ruim 2,5 miljoen euro schade aangericht. Het gerechtshof legt een gevangenisstraf op van 38 maanden. Ook moet de man schadevergoedingen betalen aan 48 benadeelde partijen.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Update over de Damen-strafzaak

De strafzaak tegen Damen Shipyards betreft verdenkingen van omkoping, valsheid in geschrifte, witwassen en mogelijke schending van EU-sancties tegen Rusland, en wordt door OM en FIOD onderzocht. De zaak is op 24 november 2025 gestart in Zwolle, met zowel het bedrijf als (voormalige) topbestuurders als verdachten. De rechtbank heeft procedurele keuzes gemaakt en 26 uit te horen getuigen geselecteerd uit tientallen verzoeken van de verdediging. Deze internationale getuigenverklaringen zijn noodzakelijk voordat de inhoudelijke behandeling van bewijsstukken kan beginnen. Damen ontkent de beschuldigingen en beroept zich op naleving van wet- en regelgeving en eigen complianceprogramma’s. Als het OM succesvol bewijs levert, kunnen er forse boetes, uitsluiting bij overheidsopdrachten en gevangenisstraffen volgen. De zaak belooft een langdurig en complex strafproces te worden.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Rechtbank legt gevangenisstraf en geldboetes op na structurele btw-fraude binnen familiebedrijf in logistieke sector

Rechtbank Overijssel 11 december 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:7277, ECLI:NL:RBOVE:2025:7272 en ECLI:NL:RBOVE:2025:7274

De rechtbank Overijssel veroordeelt op 11 december 2025 een bestuurder en twee vennootschappen wegens btw-fraude binnen een logistiek-fiscaal concern. De fraude bestond uit valse facturen voor privétuinaanleg en foutieve interne verrekeningen. De natuurlijke persoon krijgt 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 4 voorwaardelijk. Bedrijf 1 B.V. en bedrijf 2 B.V. krijgen geldboetes van respectievelijk 54.000 en 46.000 euro. De echtgenote van de bestuurder, verantwoordelijk voor de administratie, was medeverantwoordelijk. De rechtbank acht opzet aanwezig en verwerpt alle verweren.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Agrarisch adviesbureau als criminele organisatie: fraude met RVO-subsidies en vergunningen

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 11 december 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3586

Een voormalig bestuurder van een agrarisch adviesbureau is door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 13 maanden voorwaardelijk. Hij wordt schuldig bevonden aan medeplegen van valsheid in geschrift, feitelijk leidinggeven daaraan en deelname aan een criminele organisatie. Binnen het bureau heerste een cultuur waarin fraude werd aangemoedigd om klanten financieel voordeel te bieden. Zo werden valse documenten ingediend bij onder meer de RVO en gemeenten. De verdachte heeft actief bijgedragen aan deze praktijken en eerder al een strafblad opgebouwd. De straf is deels voorwaardelijk vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

Read More
Print Friendly and PDF ^

HvJ EU: forfaitair boetestelsel zonder ruimte voor individuele beoordeling in strijd met Unierecht

Op 11 december 2025 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak gedaan in zaak C-665/24, Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport, naar aanleiding van prejudiciële vragen van het College van Beroep voor het bedrijfsleven. De kern van het arrest is dat een nationaal boetestelsel dat uitgaat van aansprakelijkheid zonder schuld in beginsel verenigbaar kan zijn met het Unierecht, maar dat een forfaitair boetestelsel dat geen rekening laat houden met de ernst van de overtreding en de omstandigheden van het concrete geval in strijd is met het evenredigheidsbeginsel van het Unierecht.

Het arrest heeft betrekking op de handhaving van richtlijn 2014/40/EU inzake de productie, presentatie en verkoop van tabaks- en aanverwante producten, meer in het bijzonder op navulverpakkingen voor elektronische sigaretten waarvan het nicotinegehalte op de verpakking onjuist is vermeld.

Aanleiding van de prejudiciële vragen

De zaak vindt haar oorsprong in bestuurlijke boetes die door de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport waren opgelegd aan twee distributeurs van navulverpakkingen voor elektronische sigaretten. Deze boetes hielden verband met het feit dat op de verpakkingseenheden van de betrokken producten een hoger nicotinegehalte stond vermeld dan het gehalte dat bij controle feitelijk werd aangetroffen.

De distributeurs hadden de navulverpakkingen geleverd aan detaillisten. Zij hadden deze producten zelf afgenomen van producenten en importeurs in andere lidstaten. Het op de verpakking vermelde nicotinegehalte kwam overeen met het gehalte dat door de fabrikant of importeur was opgegeven in de kennisgeving die op grond van artikel 20, lid 2, van richtlijn 2014/40 bij de bevoegde autoriteiten was ingediend.

In eerste aanleg oordeelde de rechtbank Rotterdam dat geen sprake was van “in de handel brengen”, omdat de distributeurs de producten niet rechtstreeks aan consumenten hadden geleverd. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven zag zich in hoger beroep geconfronteerd met vragen over de reikwijdte van het begrip “in de handel brengen” en over de verenigbaarheid van het nationale sanctiestelsel met het Unierecht.

Het begrip ‘in de handel brengen’ in de richtlijn

De eerste prejudiciële vraag betrof de uitleg van artikel 23, lid 2, van richtlijn 2014/40, gelezen in samenhang met artikel 2, punt 40, en artikel 20, lid 4, onder b, sub i, van die richtlijn. De vraag was of de verplichting voor lidstaten om ervoor te zorgen dat niet-conforme producten niet “in de handel worden gebracht”, uitsluitend ziet op de verkoop door een detaillist aan de consument, of ook op eerdere fasen in de distributieketen.

Het Hof herhaalt dat artikel 23, lid 2, een horizontale werking heeft. Die bepaling beoogt te waarborgen dat tabaks- en aanverwante producten die niet voldoen aan de richtlijn, in geen enkele fase van de toeleveringsketen in de handel worden gebracht. Het begrip “in de handel brengen” is dan ook niet beperkt tot de levering door een detaillist aan de eindgebruiker.

Het Hof verwijst daarbij naar zijn eerdere arrest van 15 mei 2025 in zaak C-717/23, waarin reeds is geoordeeld dat de controleverplichting van de lidstaten betrekking heeft op alle fasen van de keten. Ook de levering van navulverpakkingen door een distributeur aan een detaillist valt daaronder. Deze ruime uitleg sluit aan bij de doelstelling van richtlijn 2014/40 om een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid te waarborgen.

Aansprakelijkheid zonder schuld en Unierecht

De tweede prejudiciële vraag had betrekking op de sanctieregeling. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven wees erop dat het in het hoofdgeding ging om bestuurlijke boetes van strafrechtelijke aard, zodat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het beginsel nulla poena sine culpa relevant zijn. De vraag was of een marktdeelnemer verantwoordelijk kan worden gehouden voor het in de handel brengen van niet-conforme producten, ook wanneer hij is uitgegaan van de juistheid van de door de fabrikant of importeur verstrekte gegevens.

Het Hof stelt voorop dat artikel 23, lid 3, van richtlijn 2014/40 de lidstaten verplicht sancties vast te stellen die doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn, maar dat de richtlijn geen volledige harmonisatie van sanctiestelsels beoogt. Lidstaten behouden in beginsel beoordelingsvrijheid bij de keuze van sancties, mits zij de algemene beginselen van Unierecht, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigen.

Volgens vaste rechtspraak van het Hof is een stelsel van aansprakelijkheid zonder schuld op zichzelf niet onverenigbaar met het Unierecht. Een dergelijk stelsel kan gerechtvaardigd zijn wanneer het bijdraagt aan de naleving van Unierechtelijke verplichtingen en wanneer het een doel van algemeen belang dient. De bescherming van de volksgezondheid, en in het bijzonder de bescherming van jongeren tegen de risico’s van tabaks- en aanverwante producten, vormt een dergelijk algemeen belang.

Kennisgeving door fabrikant of importeur

Het Hof besteedt expliciet aandacht aan het argument dat het op de verpakking vermelde nicotinegehalte overeenkwam met het gehalte dat in de kennisgeving van de fabrikant of importeur was opgenomen. Het maakt duidelijk dat deze kennisgeving primair tot doel heeft de regelgevende taken van lidstaten en de Europese Commissie te vergemakkelijken.

De kennisgevingsplicht biedt marktdeelnemers verderop in de keten geen vrijwaring tegen aansprakelijkheid. Dat betekent dat distributeurs niet automatisch aan verantwoordelijkheid ontkomen door te verwijzen naar de gegevens die door producenten of importeurs zijn verstrekt. Ook in een dergelijk geval kan aansprakelijkheid zonder schuld in beginsel worden aanvaard.

Grenzen aan forfaitaire boetes

De kern van het arrest ligt echter bij de beoordeling van het boetestelsel zelf. Het Hof benadrukt dat het evenredigheidsbeginsel niet alleen van belang is bij het vaststellen van de overtreding, maar ook bij de bepaling van de hoogte van de sanctie.

Dat houdt in dat de bevoegde autoriteiten rekening moeten kunnen houden met de ernst van de overtreding en met de omstandigheden van het concrete geval. Een sanctiestelsel dat voorziet in vaste, forfaitaire boetes per overtreding, zonder ruimte voor individuele afstemming, kan onevenredig zijn.

In de voorliggende zaak wees het Hof erop dat de hoogte van de opgelegde boetes losstond van relevante omstandigheden, zoals het feit dat het daadwerkelijk aangetroffen nicotinegehalte lager was dan het op de verpakking vermelde gehalte. Wanneer een nationale regeling geen mogelijkheid biedt om dergelijke factoren mee te wegen, verzet artikel 23, lid 3, van richtlijn 2014/40 zich tegen de toepassing van dat stelsel.

Conclusie van het Hof

Het Hof komt tot twee belangrijke conclusies. Ten eerste bevestigt het dat het begrip “in de handel brengen” zich uitstrekt tot alle fasen van de distributieketen, inclusief de levering door een distributeur aan een detaillist. Ten tweede oordeelt het dat een nationale regeling die voorziet in bestuurlijke boetes van strafrechtelijke aard, maar geen ruimte laat om bij het opleggen van die boetes rekening te houden met de ernst van de overtreding en de omstandigheden van het geval, in strijd is met het Unierecht.

Daarmee wordt duidelijk dat lidstaten weliswaar een streng handhavingsregime mogen hanteren ter bescherming van de volksgezondheid, maar dat zij bij de vormgeving van sancties steeds moeten zorgen voor een individuele en evenredige beoordeling.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

EHRM: opvragen van bankafschriften door fiscus vormt schending van artikel 8 EVRM

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens oordeelt dat het opvragen van bankafschriften door de Italiaanse fiscus een inmenging vormt in het privéleven ex artikel 8 EVRM. De Italiaanse wetgeving geeft de belastingdienst een te ruime en onvoldoende begrensde discretionaire bevoegdheid om bankgegevens op te vragen. Een loutere verwijzing naar fiscale controledoeleinden is volgens het Hof onvoldoende om deze bevoegdheid te legitimeren. Daarnaast ontbreken effectieve procedurele waarborgen tegen willekeur en misbruik, zoals een motiveringsplicht of onafhankelijke toetsing. De fiscale rechter biedt geen effectieve rechtsbescherming, omdat onregelmatigheden in de bewijsgaring geen gevolgen hebben voor de aanslag. Het Hof concludeert dat de inmenging niet “in accordance with the law” is en stelt een schending van artikel 8 EVRM vast.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Administratie vernietigd: OM niet-ontvankelijk in ontnemingsvordering

Rechtbank Den Haag 12 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:25059, 24960 en 24961

De rechtbank Den Haag verklaart in drie samenhangende zaken het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in ontnemingsvorderingen tegen een natuurlijk persoon en twee vennootschappen. In alle gevallen is de originele papieren bedrijfsadministratie vernietigd terwijl deze onder beslag stond, wat leidt tot een onherstelbaar vormverzuim. Hierdoor is het voor de verdediging onmogelijk om onderscheid te maken tussen legaal en illegaal verkregen inkomsten. De verstrekte digitale of gekopieerde administratie blijkt onvolledig en deels onleesbaar, waardoor de berekeningen van het OM niet verifieerbaar zijn. De rechtbank acht het recht op een eerlijk proces in ernstige mate geschonden. Dit leidt tot de zwaarste sanctie: niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Doxing en smaadschrift via sociale media: OM ontvankelijk ondanks ontbreken formele klacht

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11 december 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7962

Het gerechtshof veroordeelt een vrouw wegens doxing en smaadschrift via Facebook, gericht tegen een medewerkster van een kinderdagverblijf. Verdachte verspreidt naam, initialen en woonplaats van het slachtoffer in combinatie met ernstige beschuldigingen van kindermishandeling. Het hof acht het Openbaar Ministerie ontvankelijk ondanks het ontbreken van een formele klacht, omdat uit het dossier blijkt dat het slachtoffer tijdig vervolging wenste. De verdachte krijgt een taakstraf van 120 uur, waarvan 40 uur voorwaardelijk, met een mediaverbod over het slachtoffer. De schadevergoeding van 2.500 euro voor immateriële schade wordt volledig toegewezen.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Afstand recht op rechtsbijstand?

Hoge Raad 6 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:15

In een ontnemingszaak heeft het gerechtshof geoordeeld dat de betrokkene afstand heeft gedaan van zijn recht op rechtsbijstand, nadat zijn raadsman zich kort voor de zitting had onttrokken. De oproepingen zijn steeds naar het BRP-adres in Marokko gestuurd, maar de betrokkene is nooit verschenen. Het hof leidde uit de procesopstelling af dat hij op de hoogte was van de zitting en wist van de onttrekking. De Hoge Raad oordeelt dat deze conclusie onvoldoende is gemotiveerd. Passieve opstelling betekent niet automatisch afstand van rechtsbijstand. Het arrest wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar het hof Den Haag.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Btw‑fraudezaken: rechtbank straft passieve en actieve feitelijke leidinggevers

Rechtbank Oost-Brabant 19 december 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:8315, ECLI:NL:RBOBR:2025:8316, ECLI:NL:RBOBR:2025:8317

Drie verdachten worden veroordeeld wegens btw-fraude via door henzelf opgerichte lege vennootschappen. De rechtbank acht bewezen dat zij feitelijk leiding geven aan onjuiste btw-aangiften waarmee de Belastingdienst wordt misleid. De zaken maken deel uit van één fraudeconstructie waarbij een externe groep of tussenpersoon betrokken is. De rechtbank overweegt dat gedragingen aan de vennootschappen kunnen worden toegerekend en dat ook passief gedrag kan leiden tot strafbaarheid als feitelijk leidinggever. Bij alle verdachten wordt opzet aangenomen, hetzij actief, hetzij door willens en wetens niets te doen. Afhankelijk van hun rol legt de rechtbank taakstraffen tot 400 uur op, al dan niet in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Read More
Print Friendly and PDF ^