Doxing en smaadschrift via sociale media: OM ontvankelijk ondanks ontbreken formele klacht

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11 december 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7962

Het gerechtshof veroordeelt een vrouw wegens doxing en smaadschrift via Facebook, gericht tegen een medewerkster van een kinderdagverblijf. Verdachte verspreidt naam, initialen en woonplaats van het slachtoffer in combinatie met ernstige beschuldigingen van kindermishandeling. Het hof acht het Openbaar Ministerie ontvankelijk ondanks het ontbreken van een formele klacht, omdat uit het dossier blijkt dat het slachtoffer tijdig vervolging wenste. De verdachte krijgt een taakstraf van 120 uur, waarvan 40 uur voorwaardelijk, met een mediaverbod over het slachtoffer. De schadevergoeding van 2.500 euro voor immateriële schade wordt volledig toegewezen.

Context van de zaak

In deze strafzaak staat een vrouwelijke verdachte terecht voor meerdere uitlatingen via Facebook waarin zij de persoonsgegevens van een medewerkster van een kinderdagverblijf heeft gedeeld in combinatie met ernstige beschuldigingen over mishandeling van haar kleinzoon. De verdachte, geboren in 1969 en woonachtig in het noorden van het land, reageert op berichten van onder meer RTV Noord en een andere nieuwswebsite. Daarbij noemt zij expliciet de naam, initialen en woonplaats van de benadeelde, met beschuldigingen dat deze haar kleinzoon zou hebben “toegetakeld” of “aan de haren getrokken”.

De uitlatingen leiden tot hevige publieke reacties, waaronder bedreigingen aan het adres van de benadeelde partij. De politierechter heeft de verdachte eerder deels veroordeeld, maar het Openbaar Ministerie voor een deel van de vervolging niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een klacht. Zowel verdachte als het OM gaan in hoger beroep.

Tenlastelegging

Aan verdachte wordt verweten dat zij zich in februari en april 2024 tweemaal schuldig maakt aan doxing, door persoonsgegevens van de benadeelde partij te verspreiden met het oogmerk om deze ernstige overlast aan te doen en te hinderen in de uitoefening van haar beroep. Daarnaast wordt haar tweemaal smaadschrift verweten wegens het openlijk beschuldigen van de benadeelde van mishandeling, met het kennelijke doel daaraan ruchtbaarheid te geven.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal stelt dat het OM ontvankelijk is in de vervolging, ondanks het ontbreken van een formele klacht binnen de wettelijke termijn. Volgens de AG blijkt uit de aangiftes en een aanvullend proces-verbaal voldoende duidelijk dat de benadeelde partij de wens heeft gehad om vervolging in te stellen. Zij heeft aangifte gedaan, zich in de strafzaak gevoegd, en op meerdere momenten kenbaar gemaakt dat zij de verdachte strafrechtelijk vervolgd wil zien.

Ten aanzien van het bewijs acht de advocaat-generaal de uitlatingen op Facebook voldoende concreet en ernstig. Hij vordert een taakstraf van 80 uur, een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met een proeftijd van twee jaar en een verbod op media-uitingen over de benadeelde partij.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw voert aan dat het OM niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van een tijdig ingediende formele klacht. De aanvullende stukken waarin de klacht zou blijken, zijn volgens haar te laat in het dossier gevoegd. Daarnaast betoogt de verdediging dat het bewijs onvoldoende is: het Facebookbericht is niet afkomstig van de verdachte, of betreft slechts algemene uitingen zonder identificerende details.

Indien tot bewezenverklaring wordt gekomen, verzoekt de raadsvrouw om toepassing van artikel 9a Sr: geen oplegging van straf.

Oordeel van het hof

Het hof wijkt af van het oordeel van de politierechter en verklaart het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging van de smaaddelicten. Uit de jurisprudentie volgt dat het ontbreken van een formele klacht niet per se fataal is indien voldoende aannemelijk is dat de klager vervolging wenst, en die wens binnen de termijn van drie maanden na kennisname van het feit kenbaar is geworden. Het hof stelt vast dat de benadeelde partij zowel in februari als mei 2024 expliciet aangifte doet, aangeeft zich te willen voegen en aanwezig is bij de zittingen. Daarmee staat voldoende vast dat zij vervolging wenste en binnen de termijn heeft geklaagd.

Ten aanzien van de inhoud acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich tweemaal schuldig maakt aan doxing door het bewust delen van persoonsgegevens in combinatie met belastende uitlatingen. Ook acht het hof bewezen dat de verdachte zich tweemaal schuldig maakt aan smaadschrift, nu zij concreet beschuldigingen uit richting de benadeelde partij over ernstige mishandeling van haar kleinzoon.

De context, toon en inhoud van de berichten laten weinig ruimte voor interpretatie: verdachte stelt in duidelijke bewoordingen dat de benadeelde “haar kleinzoon heeft mishandeld” of “toegetakeld”. Het hof acht deze uitingen gericht op het publiekelijk aantasten van de eer en goede naam van de benadeelde partij.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat verdachte:

  • op 1 februari 2024 en tussen 17 en 19 april 2024 persoonsgegevens van de benadeelde partij heeft verspreid met het oogmerk om deze ernstige overlast aan te doen en haar te hinderen in haar beroepsuitoefening;

  • op dezelfde data in het openbaar ten onrechte heeft gesteld dat de benadeelde haar kleinzoon heeft mishandeld, hetgeen een aantasting van haar eer en goede naam oplevert.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 120 uur, waarvan 40 uur voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Daarnaast wordt een bijzondere voorwaarde opgelegd: de verdachte mag zich gedurende de proeftijd niet op sociale of klassieke media uitlaten over de benadeelde partij of haar gezin.

Het hof acht de straf passend bij de ernst van de feiten. Verdachte heeft misbruik gemaakt van de laagdrempelige mogelijkheden van sociale media om publiekelijk beschuldigingen te uiten, met verstrekkende gevolgen voor het slachtoffer. Deze is geconfronteerd met bedreigingen, reputatieschade en emotionele belasting.

Het hof overweegt dat, hoewel verdachte emotioneel was over het incident met haar kleinzoon, dit niet rechtvaardigt dat zij publiekelijk een naam en woonplaats koppelt aan ongefundeerde en schadelijke beschuldigingen. Verdachte is eerder strafrechtelijk veroordeeld, hetgeen ook meeweegt bij de strafmaat.

Schadevergoeding

De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van 2.500 voor immateriële schade. De politierechter wees eerder slechts 800 toe. Het hof wijst in hoger beroep de volledige vordering toe, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2024.

De benadeelde partij heeft aannemelijk gemaakt dat zij door de handelwijze van verdachte reputatieschade heeft geleden, spanningen heeft ervaren en te maken kreeg met bedreigingen. Het hof acht deze schade voldoende onderbouwd en in lijn met vergoedingen uit vergelijkbare zaken, zoals weergegeven in de Rotterdamse schaal. De schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd, zodat verdachte het bedrag aan de Staat moet voldoen, ten behoeve van het slachtoffer.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^