Hoge Raad over de bewijsmotivering van het voorwaardelijk opzet op benadeling van schuldeisers en van het feitelijk leidinggeven bij bedrieglijke bankbreuk door een rechtspersoon
/Hoge Raad 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1620
De Hoge Raad laat de veroordeling van de voormalig enig bestuurder van een melkproductenfabriek wegens feitelijk leidinggeven aan bedrieglijke bankbreuk door die rechtspersoon in stand. Kern van de zaak is een overboeking van € 5.940.000 op 3 juni 2010 van de fabriek naar een vennootschap waarachter de verdachte schuilgaat, terwijl de fabriek al een groot risico op faillissement loopt. Het hof leidt uit de bewijsmotivering af dat de fabriek bij die overboeking bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de rechten van een of meer schuldeisers worden benadeeld, en dat de verdachte feitelijk leiding geeft aan de overboeking. De Hoge Raad oordeelt dat de bewijsklachten daarover niet tot cassatie leiden en verwijst daarvoor naar de conclusie van de advocaat-generaal. Volgens die conclusie is het oordeel van het hof op beide punten niet onbegrijpelijk, niet ontoereikend gemotiveerd en getuigt het niet van een onjuiste rechtsopvatting. Wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie vermindert de Hoge Raad de gevangenisstraf van 30 naar 29 maanden.
Read More