Afstand recht op rechtsbijstand?

Hoge Raad 6 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:15

In een ontnemingszaak heeft het gerechtshof geoordeeld dat de betrokkene afstand heeft gedaan van zijn recht op rechtsbijstand, nadat zijn raadsman zich kort voor de zitting had onttrokken. De oproepingen zijn steeds naar het BRP-adres in Marokko gestuurd, maar de betrokkene is nooit verschenen. Het hof leidde uit de procesopstelling af dat hij op de hoogte was van de zitting en wist van de onttrekking. De Hoge Raad oordeelt dat deze conclusie onvoldoende is gemotiveerd. Passieve opstelling betekent niet automatisch afstand van rechtsbijstand. Het arrest wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar het hof Den Haag.

Achtergrond

In deze zaak staat een ontnemingsvordering centraal wegens wederrechtelijk verkregen voordeel uit strafbare feiten, te weten hennepteelt en gewoontewitwassen. Het gerechtshof Den Haag heeft in hoger beroep het voordeel vastgesteld op € 721.335,21 en de betrokkene de verplichting opgelegd om € 711.335,21 aan de staat te betalen ter ontneming van dat voordeel. Daarnaast heeft het hof de duur van de gijzeling vastgesteld op 1080 dagen. De betrokkene is geboren in 1973 en staat sinds mei 2017 ingeschreven op een adres in Marokko. Hij is bij geen van de zittingen in hoger beroep verschenen.

Aan de betrokkene was op grond van artikel 40 Wetboek van Strafvordering ambtshalve een raadsman toegevoegd. Deze raadsman heeft zich echter twee weken voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling op 16 juni 2023 aan de zaak onttrokken. De ontnemingszaak werd desalniettemin op die datum door het hof inhoudelijk behandeld, zonder aanwezigheid van de betrokkene of een raadsman.

De verdediging heeft in cassatie onder meer aangevoerd dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de betrokkene afstand heeft gedaan van zijn recht op rechtsbijstand en dat het hof ten onrechte heeft afgezien van het toevoegen van een opvolgend raadsman. Verder is geklaagd over innerlijke tegenstrijdigheid in het arrest en een ontoereikende motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Middel

Het eerste middel richt zich op het oordeel van het hof dat de betrokkene rechtsgeldig afstand heeft gedaan van zijn recht op rechtsbijstand en dat het hof daarom niet gehouden was een opvolgend raadsman aan te wijzen. De kern van de klacht is dat dit oordeel onvoldoende is gemotiveerd, gelet op de eisen die voortvloeien uit artikel 6 lid 3 onder c EVRM, artikel 28 Sv en artikel 28a Sv.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad stelt voorop dat uit het recht op een eerlijk proces voortvloeit dat een betrokkene bijstand van een raadsman moet kunnen krijgen, indien hij daarom verzoekt of indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dat vergen. Dit geldt ook in het geval van een ontnemingsprocedure. Indien een raadsman ambtshalve is toegevoegd op grond van artikel 40 Sv, mag het hof slechts afzien van het toevoegen van een opvolgende raadsman indien de betrokkene op duidelijke en ondubbelzinnige wijze afstand heeft gedaan van zijn recht op rechtsbijstand. Een dergelijk afstandsverklaring mag niet lichtvaardig worden aangenomen.

Het hof heeft vastgesteld dat de toegevoegde raadsman zich op 2 juni 2023, dus twee weken voor de inhoudelijke behandeling, heeft onttrokken en dat de betrokkene noch een vervangende raadsman op de zitting van 16 juni 2023 is verschenen. Ook is vastgesteld dat de oproepingen voor de zitting correct zijn betekend op het BRP-adres van de betrokkene in Marokko, dat sinds 2017 bekend is.

Het hof heeft vervolgens uit de omstandigheden – waaronder eerdere zittingen waarop de betrokkene afwezig was, de passieve procesopstelling en het ontbreken van verdere proceshandelingen – afgeleid dat de betrokkene op de hoogte was van de zitting van 16 juni 2023 en dat hij wist dat zijn raadsman zich had onttrokken. Mede daarom heeft het hof geconcludeerd dat de betrokkene afstand heeft gedaan van zijn recht op rechtsbijstand.

De Hoge Raad acht deze gevolgtrekking echter niet toereikend gemotiveerd. De enkele feiten dat:

  • oproepingen zijn verzonden naar het BRP-adres in Marokko

  • de raadsman op een eerdere zitting in 2020 heeft verklaard dat de betrokkene op de hoogte was van die zitting

  • de betrokkene bij eerdere zittingen niet is verschenen

  • de raadsman zich in een laat stadium heeft onttrokken

  • de betrokkene geen vervangende raadsman heeft aangewezen

zijn onvoldoende voor de conclusie dat sprake is van een vrijwillige, ondubbelzinnige afstand van het recht op rechtsbijstand.

Daarbij benadrukt de Hoge Raad dat ook indien een betrokkene passief is in de procesvoering, daaruit niet zonder meer kan worden afgeleid dat hij geen behoefte meer heeft aan rechtsbijstand. De verantwoordelijkheid van het hof om, in het licht van de ambtshalve toevoeging van een raadsman, te waarborgen dat de betrokkene effectieve rechtsbijstand krijgt, blijft bestaan zolang niet vaststaat dat de betrokkene uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van dat recht.

Dat betekent dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat de betrokkene op de hoogte was van de zitting van 16 juni 2023 én wist dat zijn raadsman zich had onttrokken. Ook het hierop voortbouwende oordeel dat de betrokkene afstand heeft gedaan van rechtsbijstand, en dat het hof dus niet gehouden was een opvolgend raadsman aan te wijzen, is onvoldoende gemotiveerd. De Hoge Raad vernietigt het arrest daarom op dit punt.

Overige middelen

De Hoge Raad oordeelt dat, gelet op de vernietiging van het arrest en de terugwijzing van de zaak, de overige cassatiemiddelen geen bespreking behoeven.

Beslissing

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 28 juli 2023 en wijst de zaak terug naar dat hof, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^