Hoge Raad stelt prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie over het zonder voorafgaande rechterlijke machtiging maken van een kopie van een inbeslaggenomen smartphone en geeft een voorlopig oordeel
/Hoge Raad 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1615
De Hoge Raad behandelt prejudiciële vragen van de rechter-commissaris in de rechtbank Oost-Brabant over het maken van een kopie van de inhoud van een inbeslaggenomen smartphone zonder voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris. Centraal staat het arrest van het Hof van Justitie in de zaak CG/Landeck, dat voorafgaande toetsing door een rechter of een onafhankelijk bestuursorgaan eist als toegang tot persoonsgegevens het risico van een ernstige of zeer ernstige inmenging in de grondrechten meebrengt. Volgens de Hoge Raad laat die rechtspraak twee lezingen toe over het moment waarop dat risico ontstaat, en daarom stelt hij zelf een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie. In verband met lopende strafzaken geeft de Hoge Raad een voorlopig oordeel: een werkwijze waarbij politie en justitie bij wijze van bevriezingsmaatregel zonder voorafgaande machtiging een kopie van de inhoud maken, is niet onverenigbaar met het Unierecht.
Een reëel risico op een ernstige inmenging ontstaat naar dat voorlopige oordeel pas wanneer een opsporingsambtenaar daadwerkelijk inhoudelijk kennis kan nemen van de gegevens. De Hoge Raad gaat ook in op de verbalisering van de inrichting en omvang van het onderzoek en op een mogelijke aanwijzing van het Openbaar Ministerie, en houdt iedere verdere beslissing aan.
