Administratie vernietigd: OM niet-ontvankelijk in ontnemingsvordering
/Rechtbank Den Haag 12 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:25059, 24960 en 24961
De rechtbank Den Haag heeft in drie samenhangende ontnemingszaken geoordeeld over de ontvankelijkheid van vorderingen tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De drie zaken betreffen enerzijds een besloten vennootschap (veroordeelde B.V.) en anderzijds een natuurlijke persoon (veroordeelde) en twee met hem samenwerkende besloten vennootschappen (medeveroordeelden). In alle drie de procedures heeft het openbaar ministerie een ontnemingsvordering ingesteld, respectievelijk voor bedragen van circa € 347.242, € 476.544 en een vergelijkbaar bedrag, waarvan het merendeel verondersteld wordt te zijn verkregen uit de handel in goederen die mogelijk gebruikt worden voor de (professionele) hennepteelt. De vorderingen zijn gebaseerd op berekeningen van wederrechtelijk verkregen voordeel over een lange periode.
In al deze zaken stellen de verdediging(en) dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat de originele papieren bedrijfsadministratie(en) die essentieel is geweest voor de ontnemingsberekeningen, grotendeels en onherstelbaar zijn vernietigd terwijl deze onder beslag stond. Volgens de verdediging(en) ligt daardoor geen controleerbare en verifieerbare basis meer voor de berekening van het vermeende wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze vernietiging zou in strijd zijn met wettelijke voorschriften (zoals artikel 116 Sv en de Aanwijzing/Instructie inbeslagneming) en heeft geleid tot een schending van de verdedigingsrechten en het recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens. In de zaak tegen de natuurlijke persoon en de twee medeveroordeelde vennootschappen is expliciet aangevoerd dat niet alle inkomsten een criminele herkomst hebben en dat – nu de originele administratie ontbreekt – niet kan worden vastgesteld welk deel van de omzet een legale herkomst heeft.
Het openbaar ministerie heeft in alle zaken betoogd dat het wel ontvankelijk is in de ontnemingsvorderingen. De officier van justitie heeft gewezen op het bestaan van digitale administratie, waarvan kopieën aan de verdediging zijn verstrekt, en heeft geopperd dat mogelijk via de boekhouder aanvullende ingescande administratieve gegevens te verkrijgen zijn. Volgens het openbaar ministerie vormen deze digitale gegevens een voldoende basis voor het voeren van verweer en de berekening van het verdachte voordeel.
De rechtbank heeft in alle drie de procedures uitvoerig onderzocht of het door justitie begane vormverzuim – de vernietiging van originele papieren administratie – zodanig is dat dit de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de ontnemingsvorderingen uitsluit. De rechtbank stelt vast dat de originele administratie niet volledig is teruggegeven en voor een groot deel onherstelbaar vernietigd is, wat in strijd is met de wettelijke voorschriften. De digitale administratie waarop het OM zich baseert, blijkt uiteindelijk zelf te zijn afgeleid van de ontbrekende papieren stukken. De rechtbank benadrukt dat de verstrekte kopieën niet kunnen worden gecontroleerd op volledigheid of authenticiteit nu de originele stukken ontbreken en dat volgens de verdediging bovendien delen van de kopieën onleesbaar zijn. Pogingen om alsnog onderzoek te doen bij een externe boekhouder acht de rechtbank niet haalbaar, onder meer vanwege het verstreken tijdsverloop en de wettelijke bewaartermijnen.
Gezien deze feiten concludeert de rechtbank dat het vormverzuim van zodanige aard is dat de verdediging niet in staat wordt gesteld een deugdelijk verweer te voeren tegen de berekeningen van het openbaar ministerie. Dit leidt tot een fundamentele aantasting van het recht op een eerlijk proces. De rechtbank volgt hierin de stellingen van de verdediging dat geen enkele remediërende maatregel de situatie kan herstellen. Omdat het OM dit verzuim is toe te rekenen, wijst de rechtbank in alle drie de zaken de zwaarste sanctie toe: zij verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de ontnemingsvorderingen tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Hierdoor blijven de door het openbaar ministerie gevorderde bedragen onbesproken; er vindt in deze procedures geen inhoudelijke bewezenverklaring of vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel plaats.
Lees hier de volledige uitspraken:
