EHRM: opvragen van bankafschriften door fiscus vormt schending van artikel 8 EVRM

EHRM 8 januari 2026, Ferrieri and Bonassisa v. Italy (Applications nos. 40607/19 and 34583/20)

Op 8 januari 2026 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) arrest gewezen in de zaak Ferrieri en Bonassisa tegen Italië. In deze zaak stond de vraag centraal of de Italiaanse belastingdienst, door zonder rechterlijke toetsing bankafschriften op te vragen in het kader van een fiscale controle, het recht op respect voor het privéleven heeft geschonden zoals beschermd door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Het Hof beantwoordt deze vraag bevestigend en komt tot de conclusie dat de Italiaanse wettelijke regeling niet voldoet aan de vereisten van “quality of law” en onvoldoende procedurele waarborgen bevat tegen willekeur en misbruik.

Feiten van de zaak

De zaak betreft twee Italiaanse belastingplichtigen die door hun bank zijn geïnformeerd dat de Italiaanse belastingdienst (Agenzia delle Entrate) had verzocht om inzage in hun bankgegevens. Het ging daarbij om bankrekeninginformatie, transactieoverzichten en andere financiële gegevens over vooraf bepaalde belastingjaren. De banken hebben deze informatie verstrekt op grond van hun wettelijke verplichting daartoe.

De verzoeken om bankgegevens waren gebaseerd op bepalingen uit het Italiaanse fiscale recht, met name artikel 51, tweede lid, onderdeel 7, van Presidentieel Decreet nr. 633/1972 (omzetbelasting) en artikel 32, eerste lid, onderdeel 7, van Presidentieel Decreet nr. 600/1973 (inkomstenbelasting). Deze bepalingen geven de belastingdienst de bevoegdheid om, na interne autorisatie, financiële instellingen te verplichten gegevens over hun cliënten te verstrekken voor fiscale controledoeleinden.

Toepasselijkheid van artikel 8 EVRM

Het Hof stelt voorop dat bankgegevens, waaronder rekeninginformatie en transactiegeschiedenis, persoonlijke gegevens zijn die vallen onder de bescherming van het privéleven in de zin van artikel 8 EVRM. Daarbij maakt het Hof geen onderscheid tussen privé- en zakelijke bankgegevens. Ook financiële informatie die betrekking heeft op beroeps- of zakelijke activiteiten kan onder het begrip “private life” vallen.

Het raadplegen en analyseren van bankafschriften door de belastingdienst vormt daarom een inmenging in het door artikel 8 EVRM beschermde recht. Tussen partijen was niet in geschil dat sprake was van een inmenging; het geschil spitste zich toe op de vraag of deze inmenging “in accordance with the law” was.

Wettelijke grondslag en beoordelingskader

Het Hof herhaalt dat een inmenging in het privéleven alleen verenigbaar is met artikel 8 EVRM indien deze:

  1. een basis heeft in het nationale recht;

  2. toegankelijk en voorzienbaar is;

  3. voldoet aan de eisen van de rechtsstaat, waaronder bescherming tegen willekeur.

Deze laatste eis staat bekend als de “quality of law”-toets. De nationale regeling moet de reikwijdte van de discretionaire bevoegdheid van de autoriteiten voldoende begrenzen en voorzien in adequate procedurele waarborgen.

Onbegrensde discretionaire bevoegdheid

Volgens het Hof schiet de Italiaanse wetgeving tekort op dit punt. De relevante bepalingen verwijzen slechts in algemene termen naar het doel van fiscale controle en het beoordelen van de naleving van belastingverplichtingen. Een dergelijke algemene doelomschrijving acht het Hof onvoldoende om de bevoegdheid van de belastingdienst te begrenzen.

De wet laat de belastingdienst een zeer ruime beoordelingsvrijheid om te bepalen:

  • of bankgegevens worden opgevraagd;

  • welke gegevens worden opgevraagd;

  • over welke periode dit gebeurt.

Daarbij ontbreekt een wettelijke verplichting om deze keuzes te motiveren. Het Hof benadrukt dat een loutere verwijzing naar fiscale controledoeleinden de belastingdienst in feite een ongereguleerde bevoegdheid verleent.

Rol van administratieve circulaires

De Italiaanse overheid voerde aan dat interne beleidsregels en administratieve circulaires nadere criteria bevatten voor het gebruik van de bevoegdheid tot financiële onderzoeken. Deze circulaires noemen onder meer situaties waarin bankonderzoeken aangewezen zouden zijn, zoals bij evidente discrepanties tussen inkomen en vermogen of bij vermoedens van ernstige belastingontduiking.

Het Hof erkent dat lagere regelgeving of administratieve praktijk in beginsel een wettelijke regeling kan aanvullen. Doorslaggevend is echter of deze regels bindend zijn en daadwerkelijk afdwingbaar. Dat is volgens het Hof niet het geval. De Italiaanse rechtspraak beschouwt de interne autorisatie voor het opvragen van bankgegevens als een louter interne, voorbereidende handeling die geen motivering behoeft en niet zelfstandig kan worden aangevochten.

Ontbreken van effectieve rechtsbescherming

Een centraal onderdeel van het arrest betreft de vraag of belastingplichtigen beschikken over voldoende procedurele waarborgen om misbruik of willekeur te voorkomen. Het Hof onderzoekt daarbij zowel ex ante als ex post rechtsbescherming.

Een voorafgaande rechterlijke of onafhankelijke toetsing ontbreekt volledig. De autorisatie wordt verleend binnen de hiërarchie van de belastingdienst zelf. Het Hof aanvaardt dat in fiscale zaken om redenen van effectiviteit niet altijd voorafgaande rechterlijke toestemming is vereist, maar benadrukt dat dit dan moet worden gecompenseerd door effectieve controle achteraf.

Volgens het Hof biedt het Italiaanse recht die compensatie niet:

  • De fiscale rechter kan de autorisatie niet zelfstandig toetsen, omdat deze niet als een appellabel besluit wordt aangemerkt.

  • Onregelmatigheden in de bewijsvergaring leiden volgens vaste rechtspraak niet tot aantasting van de belastingaanslag.

  • De belastingdienst hoeft niet te motiveren waarom bankgegevens zijn opgevraagd.

  • Er bestaat geen vaste jurisprudentie waarin de civiele rechter de rechtmatigheid van dergelijke bewijsvergaring toetst.

  • De zogenoemde “Taxpayer’s Guarantor” heeft geen bindende bevoegdheden en kan slechts aanbevelingen doen.

Daarmee ontbreekt volgens het Hof een effectieve, onafhankelijke en tijdige toetsing van de inmenging.

Conclusie van het Hof

Het Hof concludeert dat, hoewel de inmenging een wettelijke basis heeft en een legitiem doel dient (belastingheffing en -controle), de Italiaanse regeling niet voldoet aan de eisen van artikel 8 EVRM. De wet begrenst de discretionaire bevoegdheid van de belastingdienst onvoldoende en biedt geen effectieve procedurele waarborgen tegen willekeur.

De inmenging in het privéleven van de betrokken belastingplichtigen is daarom niet “in accordance with the law”. Het Hof stelt vast dat artikel 8 EVRM is geschonden.

Algemene maatregelen (artikel 46 EVRM)

Het Hof merkt de geconstateerde tekortkomingen aan als structureel. Op grond van artikel 46 EVRM geeft het Hof aan dat Italië zijn wetgeving en praktijk moet aanpassen. Daarbij noemt het Hof expliciet de noodzaak van:

  • duidelijke wettelijke criteria voor toegang tot bankgegevens;

  • een motiveringsplicht;

  • effectieve rechterlijke of onafhankelijke toetsing, los van de vraag of een belastingaanslag wordt opgelegd;

  • aandacht voor de context van internationale fiscale samenwerking.

Het arrest beperkt zich tot deze aanwijzingen en kent geen afzonderlijke schadevergoeding toe.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^