Rechtbank legt gevangenisstraf en geldboetes op na structurele btw-fraude binnen familiebedrijf in logistieke sector

Rechtbank Overijssel 11 december 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:7277, ECLI:NL:RBOVE:2025:7272 en ECLI:NL:RBOVE:2025:7274

De rechtbank Overijssel veroordeelt een bestuurder en twee vennootschappen wegens btw-fraude binnen een logistiek-fiscaal concern. De fraude bestond uit valse facturen voor privétuinaanleg en foutieve interne verrekeningen. De natuurlijke persoon krijgt 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 4 voorwaardelijk. Bedrijf 1 B.V. en bedrijf 2 B.V. krijgen geldboetes van respectievelijk 54.000 en 46.000 euro. De echtgenote van de bestuurder, verantwoordelijk voor de administratie, was medeverantwoordelijk. De rechtbank acht opzet aanwezig en verwerpt alle verweren.

Context van de zaak

De rechtbank Overijssel oordeelt op 11 december 2025 in drie strafzaken die voortvloeien uit één samenhangend fiscaal opsporingsonderzoek. De zaken hebben betrekking op omvangrijke btw-fraude gepleegd binnen een netwerk van onderling verweven vennootschappen in de logistieke en fiscale dienstverlening. De hoofdzaak betreft een natuurlijk persoon, geboren in 1973, die als indirect bestuurder verantwoordelijk is voor drie vennootschappen: een holdingmaatschappij en twee dienstverleners in de douane-expeditie. In de andere twee zaken zijn twee van deze vennootschappen, als rechtspersonen, zelfstandig vervolgd.

De verdachte vennootschappen zijn:

  • Bedrijf 1 B.V.: een financiële holding die fungeert als centrale entiteit binnen de structuur. Vanuit deze holding vinden interne verrekeningen plaats met de andere groepsmaatschappijen. De onderneming heeft geen operationele activiteiten maar vervult een sturende, administratieve en boekhoudkundige rol.

  • Bedrijf 2 B.V.: een douane-expediteur gespecialiseerd in logistieke dienstverlening rondom invoer en uitvoer van goederen. Deze entiteit verwerkt grote aantallen douaneaangiften en maakt gebruik van software die via andere entiteiten wordt gefactureerd. De administratie en btw-aangiften werden intern beheerd.

  • Bedrijf 3 B.V.: eveneens een douane-expediteur, nauw verbonden met bedrijf 2 B.V., en betrokken bij interne kostenverrekeningen. In de hoofdzaak wordt vastgesteld dat deze entiteit voor een klein gedeelte is betrokken bij het onjuist opgeven van omzet in relatie tot kosten die aan andere groepsmaatschappijen zijn doorbelast.

De natuurlijke persoon is in alle drie de zaken betrokken in de rol van (indirect) bestuurder. Hij voert samen met zijn echtgenote, die de administratie beheert, de dagelijkse leiding over de groep. Het echtpaar woont privé op een adres in dezelfde regio waar de bedrijven gevestigd zijn. De aanleiding voor het strafrechtelijk onderzoek was een boekenonderzoek van de Belastingdienst in 2022, waarbij onregelmatigheden in de omzetbelastingaangiften aan het licht kwamen.

De fraude blijkt in essentie te bestaan uit twee componenten:

  1. Valse facturatie van privékosten als zakelijke uitgaven: De aanleg van een privétuin bij de woning van het echtpaar wordt opzettelijk gefactureerd aan bedrijf 1 B.V. en bedrijf 2 B.V. via een bevriende aannemer, onder onjuiste omschrijvingen zoals “inhuur administratief personeel”. Deze facturen worden vervolgens opgenomen in de administratie en in de btw-aangifte opgevoerd als voorbelasting.

  2. Foutieve interne doorbelastingen zonder fiscale onderbouwing: Binnen het concern worden kosten tussen de vennootschappen verrekend zonder dat deze door middel van juiste facturen zijn vastgelegd, of zonder dat er omzet wordt verantwoord tegenover geclaimde voorbelasting. Met name in kwartaal 4 van 2021 leidt dit tot aanzienlijke onregelmatigheden in de aangiften van de holding en bedrijf 2 B.V.

De tenlastelegging

In deze drie strafzaken worden zowel een natuurlijk persoon als twee rechtspersonen – te weten bedrijf 1 B.V. en bedrijf 2 B.V. – vervolgd voor ernstige belastingfraude gepleegd over meerdere kwartalen. De centrale figuur is een natuurlijk persoon, geboren in 1973, die samen met zijn echtgenote (tevens medeverdachte) de dagelijkse leiding voert over een concernstructuur waarin meerdere vennootschappen met elkaar verweven zijn. Binnen deze structuur vervult bedrijf 1 B.V. de rol van financiële holding, terwijl bedrijf 2 B.V. en bedrijf 3 B.V. als douane-expediteurs opereren.

De natuurlijke persoon wordt verweten dat hij feitelijke leiding heeft gegeven aan het opzettelijk doen van onjuiste aangiften omzetbelasting door elk van deze drie vennootschappen. Het verwijt betreft zowel actieve betrokkenheid bij het opzetten van constructies als nalatigheid in het verhinderen van fraude binnen de eigen onderneming. De fraude werd uitgevoerd in samenwerking met zijn echtgenote, die belast was met de boekhouding en het indienen van de aangiften.

De tenlastelegging aan de twee vennootschappen ziet op het zelfstandig, althans aan hen toe te rekenen, opzettelijk onjuist doen van belastingaangiften. Dit op grond van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht, dat bepaalt dat ook rechtspersonen strafrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld.

Concreet gaat het om de volgende periodes:

  • Voor bedrijf 1 B.V.: de aangiften omzetbelasting over het tweede en vierde kwartaal van 2021, waarbij een fiscaal nadeel van 109.837 euro is berekend.

  • Voor bedrijf 2 B.V.: de aangiften over het eerste, tweede en vierde kwartaal van 2021 en het eerste kwartaal van 2022, met een berekend fiscaal nadeel van 92.829 euro.

  • Voor bedrijf 3 B.V.: uitsluitend in de zaak tegen de natuurlijke persoon, de aangifte over het eerste kwartaal van 2021. Hierbij is vastgesteld dat kosten zijn doorbelast zonder de vereiste verantwoording in de eigen omzetadministratie.

De kern van de fraude betreft enerzijds het opvoeren van valse facturen voor een privétuinaanleg als zakelijke kosten, met fictieve omschrijvingen zoals “Brexit-ondersteuning” en “inhuur administratief personeel”, anderzijds het onjuist boeken en verrekenen van interne kosten tussen de vennootschappen, waardoor voorbelasting werd geclaimd zonder dat daar daadwerkelijk te belasten prestaties tegenover stonden.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie is van oordeel dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. De natuurlijke persoon wordt verweten dat hij, samen met zijn echtgenote, actief het initiatief heeft genomen om privékosten te verhullen door deze zakelijk te laten factureren via bevriende bedrijven. Uit e-mailverkeer en verklaringen blijkt dat hij de omschrijvingen op de facturen zelf heeft aangeleverd, in overleg met de betreffende leveranciers. Daarnaast heeft hij nagelaten toezicht te houden op de correcte verwerking van deze facturen in de boekhouding en belastingaangiften.

De echtgenote van de natuurlijke persoon, die als medeverdachte wordt beschouwd, voerde de administratie en diende namens de vennootschappen de belastingaangiften in. Volgens het Openbaar Ministerie heeft ook zij opzettelijk gehandeld, nu zij wist dat de facturen vals waren en zij desalniettemin deze facturen heeft verwerkt in de btw-aangiften.

Ten aanzien van de vennootschappen vordert het Openbaar Ministerie geldboetes van:

  • 54.000 euro voor bedrijf 1 B.V., overeenkomend met 50 procent van het fiscaal nadeel;

  • 46.000 euro voor bedrijf 2 B.V., eveneens gebaseerd op 50 procent van het nadeel.

Voor de natuurlijke persoon vordert het Openbaar Ministerie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden, gelet op de ernst en de duur van de fraude, het bedrag aan benadeling en het ontbreken van enige zelfreflectie of verantwoordelijkheid tijdens de zitting.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit in alle zaken vrijspraak, dan wel een aanzienlijke strafvermindering. Ten aanzien van de tuinaanleg wordt gesteld dat een deel van de tuin zakelijk is gebruikt, bijvoorbeeld voor representatieve doeleinden. Daarmee zou het in aftrek brengen van de btw op deze kosten fiscaal verdedigbaar zijn. Volgens de verdediging was dus sprake van een pleitbaar standpunt, zodat geen sprake is van opzet.

Voor wat betreft de interne kostenverrekeningen over het vierde kwartaal van 2021 stelt de verdediging dat sprake was van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Onder meer wordt gewezen op organisatorische veranderingen binnen het concern, ziekte van een familielid van de medeverdachte, corona en andere juridische procedures. Dat bepaalde omzet niet is geboekt zou het gevolg zijn van administratieve achterstand, niet van opzettelijke fraude.

Voorts stelt de verdediging dat voor enkele onjuistheden suppleties zijn ingediend. Dit zou volgens hen duiden op de intentie om alsnog correct aangifte te doen. Voor de rechtspersonen wordt daarnaast verzocht om matiging van de geldboetes, gelet op het tijdsverloop sinds het eerste boekenonderzoek in 2022 en het feit dat er geen eerdere veroordelingen zijn.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging in alle drie de zaken en acht wettig en overtuigend bewezen dat opzettelijk onjuiste aangiften zijn gedaan. De rechtbank acht doorslaggevend dat het echtpaar doelbewust valse facturen heeft laten opstellen en dat zij exact wisten waarvoor de kosten bedoeld waren. De gebruikte omschrijvingen zijn door de natuurlijke persoon zelf verzonnen, en werden aan de leverancier aangeleverd met de instructie om daarmee te factureren aan de vennootschappen. De echtgenote heeft deze facturen vervolgens zonder verdere controle verwerkt in de administratie.

Van een pleitbaar standpunt is volgens de rechtbank geen sprake. Aftrek van voorbelasting is slechts toegestaan indien de factuur de werkelijkheid weergeeft. Dit was evident niet het geval.

Ten aanzien van de suppleties merkt de rechtbank op dat deze pas zijn ingediend nadat de Belastingdienst het boekenonderzoek aankondigde. Daardoor ontbreekt het vrijwillige karakter dat nodig zou zijn om strafbaarheid uit te sluiten of opzet weg te nemen.

Ook het verweer dat de fouten te wijten zouden zijn aan omstandigheden buiten de macht van de verdachten, zoals ziekte of corona, wordt verworpen. De fraude heeft plaatsgevonden over meerdere kwartalen en is op meerdere niveaus in de organisatie uitgevoerd en goedgekeurd.

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

  • De natuurlijke persoon feitelijke leiding heeft gegeven aan het plegen van belastingfraude door bedrijf 1 B.V., bedrijf 2 B.V. en bedrijf 3 B.V., over de perioden en kwartaalaangiften zoals ten laste gelegd;

  • Bedrijf 1 B.V. opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting heeft gedaan over het tweede en vierde kwartaal van 2021;

  • Bedrijf 2 B.V. opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting heeft gedaan over het eerste, tweede en vierde kwartaal van 2021 en het eerste kwartaal van 2022.

Het bewezenverklaarde levert telkens op het misdrijf van artikel 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, gepleegd door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

De strafoplegging

De natuurlijke persoon wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. De rechtbank weegt zwaar mee dat hij als professional actief is in het fiscale domein, regelmatig samenwerkt met de overheid (onder meer met de Douane) en zich bewust moet zijn geweest van de integriteitseisen die gelden in zijn functie. Door doelbewust te frauderen, heeft hij het vertrouwen in het belastingstelsel ernstig geschaad.

Bedrijf 1 B.V. wordt veroordeeld tot een geldboete van 54.000 euro. De fraude bij deze entiteit betreft valse facturen en onjuist geboekte omzet, leidend tot een fiscaal nadeel van 109.837 euro. Bedrijf 2 B.V. wordt veroordeeld tot een geldboete van 46.000 euro. Hier was sprake van het verwerken van elf valse facturen voor tuinaanleg en meerdere fouten in de interne verrekening van kosten, met een berekend nadeel van 92.829 euro.

Bij het bepalen van de strafmaat houdt de rechtbank er rekening mee dat de vennootschappen niet eerder zijn veroordeeld en dat zij economisch afhankelijk zijn van de natuurlijke personen die hen aansturen. De geldboetes dienen echter ook als signaal dat belastingfraude op ondernemingsniveau niet zonder gevolg blijft.

Lees de volledige uitspraken:

Print Friendly and PDF ^