Btw‑fraudezaken: rechtbank straft passieve en actieve feitelijke leidinggevers

Rechtbank Oost-Brabant 19 december 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:8315, ECLI:NL:RBOBR:2025:8316, ECLI:NL:RBOBR:2025:8317

Drie verdachten worden veroordeeld wegens btw-fraude via door henzelf opgerichte lege vennootschappen. De rechtbank acht bewezen dat zij feitelijk leiding geven aan onjuiste btw-aangiften waarmee de Belastingdienst wordt misleid. De zaken maken deel uit van één fraudeconstructie waarbij een externe groep of tussenpersoon betrokken is. De rechtbank overweegt dat gedragingen aan de vennootschappen kunnen worden toegerekend en dat ook passief gedrag kan leiden tot strafbaarheid als feitelijk leidinggever. Bij alle verdachten wordt opzet aangenomen, hetzij actief, hetzij door willens en wetens niets te doen. Afhankelijk van hun rol legt de rechtbank taakstraffen tot 400 uur op, al dan niet in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Context van de zaken

In drie afzonderlijke strafzaken oordeelt de rechtbank Oost-Brabant over belastingfraude gepleegd via lege besloten vennootschappen. In alle zaken richten de verdachten één of meerdere bedrijven op die vervolgens onjuiste aangiften omzetbelasting indienen. De bedrijven worden zonder daadwerkelijke economische activiteiten ingezet om btw-teruggaven te verkrijgen. De Belastingdienst keert op basis van deze valse aangiften aanzienlijke bedragen uit. Alle drie de verdachten worden vervolgd als feitelijk leidinggever van deze frauduleuze praktijken. De verdachten verschillen in de mate van betrokkenheid, initiatief en financieel gewin.

In de eerste zaak (ECLI:NL:RBOBR:2025:8315) betreft het een 25-jarige verdachte die passief blijft na ontdekking van de fraude binnen zijn eigen opgerichte onderneming. In de tweede zaak (ECLI:NL:RBOBR:2025:8316) is sprake van een verdachte die aanvankelijk anderen laat frauderen via zijn BV’s maar later zelf actief frauduleuze aangiften indient. De derde zaak (ECLI:NL:RBOBR:2025:8317) betreft een verdachte die vanaf het begin doelbewust bedrijven opricht om de Belastingdienst te benadelen en daarin een actieve, faciliterende rol vervult.

Tenlastelegging

De drie verdachten wordt verweten dat zij feitelijk leiding hebben gegeven aan het doen van opzettelijk onjuiste aangiften voor de omzetbelasting door rechtspersonen waarvan zij bestuurder en aandeelhouder zijn. De aangiften zijn telkens onjuist, omdat zij omzet en/of voorbelasting vermelden waar geen reële bedrijfsactiviteiten tegenover staan. Deze aangiften strekken ertoe dat te weinig belasting wordt geheven. In sommige gevallen is ook medeplegen ten laste gelegd.

In zaak 1 (ECLI:NL:RBOBR:2025:8315) betreft het een enkele vennootschap over de periode van 8 oktober 2021 tot en met 4 april 2023. In zaak 2 (ECLI:NL:RBOBR:2025:8316) gaat het om twee vennootschappen over een langere periode, waarbij de verdachte zelf aangiften invult en geld incasseert. In zaak 3 (ECLI:NL:RBOBR:2025:8317) richt de verdachte eveneens twee vennootschappen op met het specifieke doel de fiscus te benadelen.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie acht in alle zaken de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Het stelt zich op het standpunt dat de verdachten opzettelijk hebben bijgedragen aan de frauduleuze handelingen van de vennootschappen, hetzij door actieve betrokkenheid, hetzij door willens en wetens niets te doen terwijl zij daartoe bevoegd en gehouden waren.

Het standpunt van de verdediging

In de eerste zaak bepleit de verdediging vrijspraak vanwege het ontbreken van opzet en subsidiair ontslag van alle rechtsvervolging wegens psychische overmacht. In de tweede zaak erkent de verdediging in beginsel de bewijsbaarheid van de feiten en vraagt zij om oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf met taakstraf. In de derde zaak wordt primair vrijspraak gevraagd, omdat verdachte niet als feitelijk leidinggever kan worden aangemerkt.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt in alle zaken vast dat de betrokken vennootschappen onjuiste btw-aangiften hebben ingediend die hebben geleid tot onterechte uitbetalingen van de Belastingdienst. Zij overweegt uitvoerig het juridisch kader met betrekking tot toerekening aan rechtspersonen, feitelijk leidinggeven, het vereiste opzet, en de strafbaarheid van nalaten.

Toerekening aan rechtspersonen

De rechtbank past het toetsingskader toe zoals ontwikkeld in de jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 21 oktober 2003, NJ 2006/328). Volgens deze maatstaf kan een verboden gedraging aan een rechtspersoon worden toegerekend indien deze heeft plaatsgevonden in diens sfeer. Dat is onder meer het geval indien:

  • de gedraging plaatsvindt door of onder verantwoordelijkheid van een functionaris van de rechtspersoon,

  • de gedraging onderdeel is van de normale bedrijfsvoering,

  • deze gedraging de rechtspersoon voordeel oplevert,

  • de rechtspersoon beschikkingsmacht heeft over het plaatsvinden van de gedraging.

De rechtbank acht dit toetsingskader in alle drie de zaken vervuld. In elke zaak zijn de verdachte vennootschappen opgericht, ingeschreven en bestuurd door de betreffende verdachte. Het doen van aangiften omzetbelasting behoort tot de normale bedrijfsvoering van deze rechtspersonen, en de onjuiste aangiften hebben geleid tot uitkeringen van de Belastingdienst. De vennootschappen zijn de formele ontvangers van de gelden en zijn daarmee de directe begunstigden. De gedragingen worden dus aan hen toegerekend.

Feitelijk leidinggeven

De rechtbank besteedt in alle drie de vonnissen ruime aandacht aan het begrip feitelijk leidinggeven. Zij benadrukt dat feitelijk leidinggeven niet alleen ziet op actieve gedragingen, zoals het instrueren of uitvoeren van een strafbaar feit, maar ook kan bestaan uit nalaten indien de verdachte bevoegd en gehouden was in te grijpen. Dit geldt met name in situaties waarin een verdachte de formele zeggenschap over een rechtspersoon heeft en zich bewust is van het strafbare handelen, maar desondanks niets onderneemt.

In zaak 1 blijft de verdachte passief nadat hij ontdekt dat zijn vennootschap op basis van onjuiste gegevens geld ontvangt. Hij grijpt niet in, meldt zich niet bij de Belastingdienst, noch beëindigt hij de activiteiten van het bedrijf. Volgens de rechtbank heeft verdachte daarmee willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het strafbare handelen zich zou voortzetten. Dit passieve nalaten levert feitelijk leidinggeven op.

In zaak 2 is aanvankelijk sprake van passieve medewerking aan een frauduleuze constructie opgezet door derden, maar later neemt de verdachte zelf het initiatief en voert hij zelfstandig frauduleuze aangiften in. De rechtbank acht hem dan niet alleen feitelijk leidinggever, maar tevens degene die de strafbare gedraging uitvoert.

In zaak 3 stelt de rechtbank vast dat de verdachte vanaf het begin weet dat zijn bedrijven geen reële activiteiten zullen ontplooien, maar uitsluitend dienen als vehikel om via onjuiste btw-aangiften geld van de fiscus te verkrijgen. Hij faciliteert de fraude door op te treden als oprichter en bestuurder, door zijn DigiD en eHerkenning beschikbaar te stellen, en door gelden op te nemen en aan derden over te dragen. Hoewel hij zelf geen aangiften invult, acht de rechtbank zijn bijdrage substantieel en onmisbaar, zodat ook hier sprake is van feitelijk leidinggeven.

Opzet van de leidinggever

In alle zaken vereist de rechtbank een opzetvorm bij de leidinggever die minimaal inhoudt dat deze bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat een verboden gedraging plaatsvindt. In zaak 1 oordeelt de rechtbank dat het opzet aanwezig is vanaf het moment dat verdachte weet dat er geld wordt ontvangen zonder prestaties, en hij toch niets onderneemt. In zaak 2 is er sprake van vol opzet vanaf het moment dat de verdachte zelf de aangiften indient en geld incasseert. In zaak 3 is er sprake van opzet vanaf het begin, omdat verdachte vanaf het eerste moment wist dat het ging om een constructie zonder daadwerkelijke bedrijfsvoering, bedoeld om geld van de Belastingdienst te verkrijgen.

Relevantie van nalaten voor strafbaarheid

De rechtbank benadrukt dat feitelijk leidinggeven ook via nalaten kan plaatsvinden, mits de verdachte de positie en bevoegdheid heeft om in te grijpen en dat redelijkerwijs van hem verwacht mocht worden. In alle zaken is sprake van bestuurders die formeel bevoegd zijn en feitelijk in staat zouden zijn geweest om de fraude te stoppen of te voorkomen, bijvoorbeeld door de bedrijven op te heffen, zich af te melden bij de Belastingdienst of door aangifte te doen. De beslissing om dat niet te doen, wordt in alle zaken gekwalificeerd als verwijtbaar nalaten, waarmee het strafrechtelijke opzet wordt afgeleid uit passiviteit bij bekendheid met de fraude.

De bewezenverklaring

In alle drie de zaken acht de rechtbank bewezen dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het opzettelijk onjuist doen van meerdere aangiften omzetbelasting, telkens door vennootschappen waarvan zij formeel bestuurder waren. De periode van de feiten, het aantal betrokken vennootschappen en het strafbare aandeel van de verdachten verschillen, maar in alle gevallen wordt vastgesteld dat het gedrag van de verdachte doorslaggevend is geweest voor het kunnen plegen van de btw-fraude.

De strafoplegging

In zaak 1 wordt een taakstraf van 100 uur opgelegd, zonder onvoorwaardelijke gevangenisstraf, gelet op het beperkte aandeel van verdachte, het ontbreken van financieel gewin, en zijn openheid van zaken. In zaak 2 legt de rechtbank een taakstraf van 400 uur op, gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden. Deze straf weerspiegelt de actieve en aanhoudende betrokkenheid, het ontvangen geldbedrag van circa 90.000 euro, en de rol van verdachte als voortzetter van de fraude. In zaak 3 wordt een taakstraf van 200 uur opgelegd met een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden, waarbij strafverzwarend wordt meegewogen dat verdachte zijn eigen gokschuld afbetaalde met het fraudegeld en van meet af aan opzettelijk handelde.

Lees hier de volledige uitspraken:

Print Friendly and PDF ^