Hoge Raad over de verboden combinatie van gevangenisstraf en taakstraf onder artikel 9 lid 4 Sr en de rol van de voorlopige hechtenis
/Hoge Raad 18 augustus 2026, ECLI:NL:HR:2026:1351
De Hoge Raad vernietigt de strafoplegging in een economische strafzaak en wijst de zaak op dat punt terug naar het gerechtshof Amsterdam. Het hof veroordeelt de verdachte wegens witwassen, medeplegen van het voorhanden hebben van grote hoeveelheden professioneel vuurwerk, het voorhanden hebben van munitie en het voorhanden hebben van een jammer tot een gevangenisstraf van twintig maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk, en een taakstraf van 240 uren. Het derde cassatiemiddel klaagt dat deze combinatie van straffen wettelijk niet is toegestaan. De Hoge Raad oordeelt dat onder het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf wordt verstaan, en dat daarbij niet van belang is hoeveel tijd de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Omdat het onvoorwaardelijke deel tien maanden bedraagt en daarmee de grens van zes maanden uit artikel 9 lid 4 Sr overschrijdt, mag daarnaast geen taakstraf worden opgelegd. De eerste twee cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie op grond van artikel 81 lid 1 RO.
Read More