Hoge Raad over de verboden combinatie van gevangenisstraf en taakstraf onder artikel 9 lid 4 Sr en de rol van de voorlopige hechtenis

Hoge Raad 18 augustus 2026, ECLI:NL:HR:2026:1351

De Hoge Raad vernietigt de strafoplegging in een economische strafzaak en wijst de zaak op dat punt terug naar het gerechtshof Amsterdam. Het hof veroordeelt de verdachte wegens witwassen, medeplegen van het voorhanden hebben van grote hoeveelheden professioneel vuurwerk, het voorhanden hebben van munitie en het voorhanden hebben van een jammer tot een gevangenisstraf van twintig maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk, en een taakstraf van 240 uren. Het derde cassatiemiddel klaagt dat deze combinatie van straffen wettelijk niet is toegestaan. De Hoge Raad oordeelt dat onder het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf wordt verstaan, en dat daarbij niet van belang is hoeveel tijd de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Omdat het onvoorwaardelijke deel tien maanden bedraagt en daarmee de grens van zes maanden uit artikel 9 lid 4 Sr overschrijdt, mag daarnaast geen taakstraf worden opgelegd. De eerste twee cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie op grond van artikel 81 lid 1 RO.

Achtergrond

De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1983. Het gerechtshof Amsterdam, economische kamer, veroordeelt hem op 16 juli 2024, onder nummer 23-001007-22, wegens witwassen van een geldbedrag, artikel 420bis lid 1 onder b Sr (zaak A, onder 2 primair), medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, over het voorhanden hebben van grote hoeveelheden professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik (zaak B, onder 1 en onder 2), handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd, over het voorhanden hebben van munitie (zaak B, onder 3), en overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.9 lid 1 van de Telecommunicatiewet, opzettelijk begaan, over het voorhanden hebben van een jammer (zaak B, onder 4).

Het hof legt een gevangenisstraf op van twintig maanden met aftrek van voorarrest, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en daarnaast een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Het hof beslist ook over het beslag. Er bestaat samenhang met de ontnemingszaken 24/02906 en 24/02853.

Cassatiemiddelen

Namens de verdachte stelt de advocaat S.J. van der Aart, kantoorhoudend in Koog aan de Zaan, drie cassatiemiddelen voor. Het eerste middel klaagt over de afwijzing van een aanhoudingsverzoek door het hof. Het tweede middel keert zich tegen de motivering van de bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 in zaak B. Het derde middel klaagt dat het hof een wettelijk niet toegestane combinatie van straffen heeft opgelegd, en berust onder meer op de opvatting dat bij de beantwoording van de vraag of een combinatie van straffen in strijd is met artikel 9 lid 4 Sr niet van belang is hoe lang de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De advocaat-generaal Frielink concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak, uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Beoordeling Hoge Raad

Het eerste en het tweede cassatiemiddel leiden niet tot cassatie. De Hoge Raad hoeft dat oordeel niet te motiveren, omdat de beoordeling van deze klachten geen beantwoording vergt van vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht, artikel 81 lid 1 RO.

Het derde middel slaagt. Artikel 9 lid 4 Sr bepaalt dat de rechter in geval van veroordeling tot gevangenisstraf of hechtenis, vervangende hechtenis daaronder niet begrepen, waarvan het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel ten hoogste zes maanden bedraagt, tevens een taakstraf kan opleggen. De opvatting waarop het middel berust, dat bij de beoordeling of de strafcombinatie in strijd is met deze bepaling niet van belang is hoe lang de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, is juist. Onder het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel wordt verstaan het onvoorwaardelijke deel van de door de rechter opgelegde gevangenisstraf. Voor het bepalen of dat deel ten hoogste zes maanden bedraagt, is dus niet van belang of en, zo ja, in hoeverre bij de tenuitvoerlegging van dat onvoorwaardelijke deel op grond van artikel 27 lid 1 Sr de tijd die in inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis is doorgebracht in mindering zal worden gebracht.

Het hof legt een gevangenisstraf van twintig maanden op, waarvan tien maanden voorwaardelijk, en daarnaast een taakstraf van 240 uren. Het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel bedraagt daarmee tien maanden en overschrijdt de grens van zes maanden. De totale strafoplegging is in strijd met artikel 9 lid 4 Sr.

Beslissing van de Hoge Raad

De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam opdat de zaak in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan, en verwerpt het beroep voor het overige.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^