Hoge Raad oordeelt dat artikel 4 onder d Sr geen rechtsmacht biedt bij het in het buitenland valselijk opmaken van een IND-formulier voor een nareisprocedure

Hoge Raad 14 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1265

De Hoge Raad beantwoordt prejudiciële vragen van het gerechtshof 's-Hertogenbosch over de rechtsmacht van Nederland bij het in het buitenland valselijk opmaken van een IND-formulier ten behoeve van een nareisprocedure. De verdachte, die de Syrische nationaliteit heeft, vult in Turkije een formulier "Bijlage Verklaring burgerlijke staat" van de IND onjuist in om via gezinshereniging naar Nederland te komen. Het hof vraagt of artikel 4 aanhef en onder d Sr rechtsmacht biedt voor dit feit, dat is toegesneden op artikel 225 lid 1 Sr. De Hoge Raad beantwoordt die vraag ontkennend en oordeelt dat de verwijzing naar artikel 225 Sr in artikel 4 onder d Sr, gelet op de wetsgeschiedenis, uitsluitend betrekking heeft op valsheidsdelicten met betrekking tot specifieke, door een overheidsinstelling uitgegeven geschriften die op zichzelf een zekere economische waarde vertegenwoordigen. De Hoge Raad merkt daarbij op dat bij gebruik van het geschrift als bedoeld in artikel 225 lid 2 Sr de plaats waar het geschrift is ingeleverd of naartoe is gezonden mede als pleegplaats geldt, zodat bij inlevering in Nederland rechtsmacht op grond van artikel 2 Sr kan bestaan.

Achtergrond

De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1997, met de Syrische nationaliteit. De politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, veroordeelt hem op 17 januari 2025 wegens valsheid in geschrift, artikel 225 lid 1 Sr, tot een gevangenisstraf van twee maanden. De verdachte stelt hoger beroep in.

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat hij op of omstreeks 12 januari 2021 te Istanbul, in elk geval in Turkije, en/of in Syrie, en/of in Nederland een formulier "Bijlage Verklaring burgerlijke staat" van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst. De verdachte vermeldt op dat formulier in strijd met de waarheid dat hij ongehuwd is en nimmer gehuwd is geweest, geen duurzame of exclusieve relatie met een partner heeft en niet de zorg over kinderen heeft. Dit doet hij met het oogmerk om het formulier als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken. Het formulier is bestemd voor een nareisprocedure strekkende tot gezinshereniging. Tijdens zijn politieverhoor verklaart de verdachte dat het formulier niet de waarheid bevat, dat hij heeft gelogen en dat hij niet naar Nederland had mogen komen als hij de waarheid zou vertellen. Uit de aangifte van de IND blijkt dat de verdachte niet voor de artikel 8 EVRM-vergunning in aanmerking was gekomen als hij eerlijk was geweest over zijn burgerlijke staat.

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heropent op 17 maart 2026 het onderzoek ter terechtzitting en schorst dit voor onbepaalde tijd, in afwachting van de beantwoording door de Hoge Raad van twee prejudiciële vragen over de rechtsmacht van Nederland.

Cassatiemiddelen

Deze zaak betreft geen cassatieberoep maar een prejudiciële procedure op grond van artikel 553 Sv. Het hof heeft twee prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voorgelegd. De eerste vraag is of de belangen die in het geding zijn bij het vervalsen van een door de IND verstrekt geschrift in het kader van een nareisverzoek tot gezinshereniging, kunnen worden aangemerkt als "gewichtige algemene nationale rechtsbelangen" ter bescherming waarvan artikel 4 Sr een grondslag voor rechtsmacht biedt. De tweede vraag is of sprake is van een strafbaar feit "gepleegd tegen een Nederlandse overheidsinstelling" als bedoeld in artikel 4 aanhef en onder d Sr wanneer een formulier "Bijlage Verklaring burgerlijke staat" van de IND niet naar waarheid wordt ingevuld met het oogmerk om dit als echt en onvervalst te doen gebruiken in een nareisprocedure. Het openbaar ministerie dient schriftelijke opmerkingen in. Advocaat-generaal Sinnige concludeert.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad formuleert de kern van de prejudiciële vragen als de vraag hoe artikel 4 aanhef en onder d Sr moet worden uitgelegd wanneer een verdachte wordt vervolgd wegens het valselijk opmaken of vervalsen van een geschrift als bedoeld in artikel 225 lid 1 Sr. Meer in het bijzonder is aan de orde of Nederland op grond van die bepaling rechtsmacht heeft wanneer het gaat om het in het buitenland valselijk opmaken of vervalsen van een IND-formulier ten behoeve van een nareisprocedure.

De Hoge Raad beantwoordt die vraag ontkennend. Artikel 4 aanhef en onder d Sr heeft met de formulering "tegen een Nederlandse overheidsinstelling" geen nauw afgebakend bereik, maar op grond van de wetsgeschiedenis moet worden aangenomen dat de bepaling betrekking heeft op specifieke tegen de Nederlandse overheid gepleegde valsheidsdelicten en niet op een geval als dit.

De Hoge Raad wijst erop dat uit de wetsgeschiedenis naar voren komt dat de wetgever met de invoering van het huidige artikel 4 Sr geen inhoudelijke wijziging heeft beoogd ten opzichte van de voorganger van deze bepaling. In de memorie van toelichting staat dat het in het voorgestelde nieuwe artikel 4 Sr gaat om "de misdrijven die (van oudsher) in artikel 4, onderdelen 1 tot en met 6, Sr zijn opgenomen", waarbij die onderdelen in het wetsvoorstel telkens een op een zijn overgenomen als onderdelen a tot en met f. Alleen de onderdelen 3 en 4 zijn nader aangepast doordat zij in de nieuwe formuleringen onder c en d de delicten waarop zij betrekking hebben niet meer in woorden omschrijven, maar door een verwijzing naar de betreffende strafbepaling.

Tegen die achtergrond moet het ervoor worden gehouden dat de verwijzing naar artikel 225 Sr in artikel 4 onder d Sr, overeenkomstig de inhoud van het daarvoor geldende artikel 4 aanhef en onder 4 (oud) Sr, betrekking heeft op de valsheid van specifieke, door een overheidsinstelling uitgegeven geschriften die op zichzelf een zekere economische waarde vertegenwoordigen. De Hoge Raad noemt als voorbeelden de in de oude bepaling opgesomde schuldbrieven of certificaten van schuld van de Nederlandse staat of van een Nederlandse provincie, gemeente of openbare instelling, de bijbehorende talons, dividend- en rentebewijzen, en de in plaats van deze stukken uitgegeven bewijzen. De in onderdeel d van artikel 4 Sr opgenomen beperking tot gevallen waarin het valsheidsdelict "is gepleegd tegen een Nederlandse overheidsinstelling" moet in die beperkte zin worden verstaan. De verwijzing naar artikel 225 Sr in artikel 4 onder d Sr breidt de Nederlandse rechtsmacht dan ook slechts uit tot buiten Nederland begane valsheidsdelicten met betrekking tot dergelijke specifieke geschriften.

De Hoge Raad merkt ten slotte op dat dit antwoord alleen ziet op de vraag of de Nederlandse strafwet op grond van artikel 4 onder d Sr van toepassing is wanneer de tenlastelegging is toegesneden op het misdrijf van artikel 225 lid 1 Sr. Of de Nederlandse strafwet van toepassing is op een ander strafbaar feit dat in relatie tot zo'n geschrift is begaan, zoals het gebruik van het geschrift als bedoeld in artikel 225 lid 2 Sr, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Als plaats waar het misdrijf van artikel 225 lid 2 Sr is begaan geldt mede de plaats waar het geschrift is ingeleverd of waarnaar het is toegezonden, onder verwijzing naar HR 27 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9346. Bevindt die plaats zich in Nederland, dan heeft Nederland rechtsmacht op grond van artikel 2 Sr.

Beslissing van de Hoge Raad

De Hoge Raad beantwoordt de prejudiciële vragen in de hiervoor weergegeven zin.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^