Schorsing van de vervolging omdat verdachte door de gevolgen van ALS niet effectief aan het strafproces kan deelnemen

Rechtbank Oost-Brabant 23 juni 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:4630

De rechtbank Oost-Brabant schorst de vervolging van een verdachte die wordt aangemerkt als hoofdverdachte in een omvangrijke strafzaak over hennepteelt, voorbereiding van cocaïnetransporten, gewoontewitwassen en leiding geven aan twee criminele organisaties. De verdachte lijdt aan de ziekte ALS, ligt continu aan de beademing en is volledig afhankelijk van anderen. De rechtbank stelt vast dat op basis van de stukken niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de strekking van de vervolging niet begrijpt, zodat de letterlijke tekst van artikel 16 Sv niet van toepassing is. De rechtbank oordeelt echter dat de reikwijdte van artikel 16 Sv, bezien tegen de achtergrond van artikel 6 EVRM, verder strekt dan de letterlijke tekst suggereert. Ook wanneer een verdachte door medische beperkingen niet effectief aan de strafprocedure kan deelnemen, bestaat aanleiding de vervolging te schorsen. Omdat de verdachte geen verklaring kan afleggen, niet ter zitting kan verschijnen en geen zinvol overleg met zijn raadsman kan voeren, schorst de rechtbank de vervolging in de stand waarin deze zich bevindt.

Inleiding en context

De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1978. De zaak wordt in eerste aanleg behandeld door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch. De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 11 december 2020 en het vonnis wordt op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 20 januari 2021, 13 april 2021 en 23 juni 2026. Het Openbaar Ministerie merkt de verdachte binnen het dossier aan als hoofdverdachte; tegen hem is ook een ontnemingszaak aanhangig. Ter terechtzitting van 23 juni 2026 verzoekt de raadsman schorsing van de vervolging omdat de verdachte lijdt aan amyotrofische laterale sclerose (ALS). Het vonnis beperkt zich tot de beslissing op dat verzoek; aan een inhoudelijke behandeling van de tenlastegelegde feiten komt de rechtbank niet toe.

Tenlastelegging en wettelijk kader

Aan de verdachte zijn, na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 23 juni 2026 op de voet van artikel 314a Sv, vijf feiten ten laste gelegd. Onder feit 1 wordt de verdachte verweten dat hij in de periode van 26 maart 2020 tot en met 14 juni 2020 tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk grote hoeveelheden hennep heeft geteeld, bewerkt, verkocht, afgeleverd en vervoerd, in totaal circa 1288 kilo hennep en circa 2760 hennepstekken, een middel als bedoeld in lijst II bij de Opiumwet en een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 Opiumwet. Onder feit 2 wordt hem verweten dat hij in de periode van 29 oktober 2019 tot en met 6 oktober 2020 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11 derde, vierde en vijfde lid Opiumwet, terwijl hij leider van die organisatie was. Feit 3 betreft voorbereidings- en bevorderingshandelingen als bedoeld in artikel 10a Opiumwet, gericht op het vervoeren en binnen Nederland brengen van grote hoeveelheden cocaïne vanuit onder meer Ecuador en Colombia, onder meer door het voeren van versluierde Encrochatgesprekken over transportlijnen per cargovlucht en per schip, het doen van een aanbetaling van circa € 73.850 en het afleveren en ophalen van diverse geldbedragen. Onder feit 4 wordt de verdachte gewoontewitwassen verweten in de periode van 1 januari 2014 tot en met 6 oktober 2020, waarbij het onder meer gaat om diverse geldbedragen, waaronder een bedrag van circa € 350.000, en om twee appartementen en twee garageboxen in Torremolinos in Spanje. Feit 5 betreft deelname aan een tweede criminele organisatie, in de periode van 19 maart 2017 tot en met 6 oktober 2020, met als oogmerk omkoping (artikel 177 juncto 178a Sr) en witwassen (artikelen 420bis, 420bis.1 en 420ter Sr), eveneens als leider.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officieren van justitie brengen naar voren dat de verdachte binnen het dossier wordt gezien als hoofdverdachte en dat ook een ontnemingszaak aanhangig is, zodat de vervolging indien mogelijk voortgezet dient te worden. Zij betwisten niet dat de verdachte kampt met zeer ernstige fysieke beperkingen zoals die blijken uit de door de raadsman overgelegde stukken. Zij menen echter dat uit de brief van de huisarts en het emailbericht van de verpleegkundig specialist onvoldoende blijkt of de verdachte op dit moment nog in staat kan worden geacht de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen. Om die reden sluiten de officieren van justitie zich aan bij het subsidiaire verzoek van de raadsman tot aanhouding voor het benoemen van deskundigen. Een strafeis komt in dit vonnis niet aan de orde.

Standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt primair schorsing van de vervolging. De verdachte lijdt aan ALS, is 24 uur per dag aan zijn bed gekluisterd en is volledig afhankelijk van de hulp van anderen bij alle dagelijkse handelingen. Hij kan niet langdurig zelfstandig ademen en ligt daardoor continu aan de beademing, kan niet langdurig spreken, kan maximaal twee uur in een rolstoel zitten en heeft concentratieproblemen. De raadsman licht toe hoe hij zijn contacten met de verdachte heeft ervaren en verwijst naar een brief van de huisarts en een emailbericht van 10 juni 2026 van een bij de verzorging betrokken verpleegkundig specialist van het Maastricht UMC. Op basis daarvan stelt de raadsman dat de verdachte niet in staat is effectief deel te nemen aan de strafprocedure: hij kan niet fysiek ter zitting verschijnen en zinvol overleg tussen verdachte en advocaat is, mede gezien de omvang en complexiteit van de zaak, niet mogelijk. Subsidiair verzoekt de raadsman aanhouding voor het benoemen van een of meer deskundigen die een oordeel kunnen geven over de fysieke en mentale gezondheid van de verdachte.

Oordeel gerecht

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is van het tenlastegelegde kennis te nemen en dat de officieren van justitie in de vervolging kunnen worden ontvangen. Vervolgens beoordeelt de rechtbank het schorsingsverzoek aan de hand van artikel 16 Sv. Op grond van die bepaling is de rechter verplicht, in welke stand van de vervolging ook, de vervolging te schorsen indien de verdachte aan een zodanige psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap lijdt dat hij niet in staat is de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen. De ratio van deze dwingende regel ligt volgens de rechtbank in het beginsel dat de verdachte gedurende zijn berechting in de gelegenheid en in staat moet zijn zijn verdediging te (doen) voeren.

Op basis van de voorhanden stukken kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld dat de verdachte op dit moment niet in staat is de strekking van de vervolging te begrijpen op grond van psychische problematiek, een psychogeriatrische aandoening of een verstandelijke beperking als bedoeld in artikel 16 Sv. In zoverre volgt de rechtbank het standpunt van de officieren van justitie. De rechtbank oordeelt echter dat de reikwijdte van artikel 16 Sv verder strekt dan de letterlijke tekst suggereert. Beschouwd tegen de achtergrond van artikel 6 EVRM en het daarin neergelegde recht op een eerlijk proces bestaat ook aanleiding de vervolging te schorsen als de verdachte gelet op zijn medische beperkingen niet in staat is effectief aan de strafprocedure deel te nemen.

Op basis van de door de verdediging overgelegde medische informatie oordeelt de rechtbank dat de verdachte niet in staat is op verantwoorde wijze deel te nemen aan de inhoudelijke zitting, mede gelet op de omvang en complexiteit van de zaak en de verwachte zittingsduur. De verdachte kan geen verklaring afleggen ter terechtzitting of anderszins naar voren brengen wat hij van belang vindt voor zijn verdediging. Ook het effectief overleggen met de raadsman, het bepalen van de verdedigingsstrategie en het al dan niet met hulp van de raadsman kennisnemen van de relevante dossierstukken acht de rechtbank niet realistisch. De rechtbank concludeert dat de verdachte op dit moment niet effectief kan deelnemen aan het strafproces en schorst de vervolging in de stand waarin deze zich bevindt.

Bewezenverklaring

Een bewezenverklaring is in dit vonnis niet aan de orde. De rechtbank komt door de schorsing van de vervolging niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de tenlastegelegde feiten.

Strafoplegging en maatregelen

Strafoplegging en maatregelen zijn in dit vonnis niet aan de orde. De rechtbank schorst de vervolging van de verdachte in de stand waarin deze zich bevindt en neemt geen verdere beslissingen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^