Veroordeling van twee rechtspersonen en hun bestuurder voor valsheid in geschrift en fraude met de subsidieregeling Coronabanen in de zorg

De rechtbank Rotterdam doet op 14 juli 2026 uitspraak in drie samenhangende zaken over fraude met de subsidieregeling Coronabanen in de zorg (COZO). Twee rechtspersonen en hun bestuurder dienen valse COZO-vaststellingen in bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en wenden de ontvangen subsidiegelden aan voor andere doeleinden dan de financiering van zorgpersoneel. De rechtbank rekent de gedragingen aan beide rechtspersonen toe en veroordeelt hen tot geldboetes van € 27.000 en € 12.000. De bestuurder wordt als feitelijke leidinggever veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, een taakstraf van 240 uur en een bestuursverbod van vijf jaren. Het verweer dat opzet en oogmerk ontbreken omdat op door derden aangeleverde gegevens is vertrouwd, verwerpt de rechtbank als ongeloofwaardig. De vorderingen van het Ministerie VWS worden toegewezen tot in totaal € 375.677,04.

Inleiding en context

De zaak betreft misbruik van de subsidieregeling Coronabanen in de zorg (COZO), een tijdens de coronapandemie in het leven geroepen regeling om zorgaanbieders in staat te stellen tijdelijk extra zorgpersoneel in te huren. Twee vennootschappen ontvangen COZO-subsidie en dienen ter verantwoording COZO-vaststellingen in bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, waarin zij het doen voorkomen alsof zorgpersoneel is ingehuurd. De ontvangen gelden worden overgemaakt aan detacheerders en van daaruit doorgesluisd naar branche-onlogische bedrijven en buitenlandse bankrekeningen, zonder dat salaris is betaald of aangifte loonbelasting is gedaan.

De drie zaken worden in eerste aanleg door de meervoudige kamer behandeld op de zitting van 30 juni 2026 en op 14 juli 2026 uitgesproken. Het gaat om een Rotterdamse vennootschap (ECLI:NL:RBROT:2026:9286), die in totaal € 271.073,45 subsidie ontvangt voor twee periodes en waar personeel zou zijn ingeleend van Dakar Trading B.V. en Meggzorg B.V., en een Deventer vennootschap (ECLI:NL:RBROT:2026:9295), die € 123.903,59 subsidie ontvangt en waar personeel zou zijn ingeleend van Dakar Trading B.V. De verdachte natuurlijk persoon (ECLI:NL:RBROT:2026:9282), geboren in 1973, is bestuurder van beide vennootschappen en dient beide COZO-vaststellingen in. Hij is nog steeds directeur van beide ondernemingen, is getrouwd, heeft vier kinderen waarvan twee minderjarig, en is mantelzorger voor zijn echtgenote, die een chronische hartaandoening heeft.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachten wordt in de kern verweten dat zij valse COZO-vaststellingen hebben opgemaakt en subsidiegelden hebben aangewend voor andere doeleinden dan waarvoor deze zijn verstrekt. Centraal staan artikel 225 Sr (valsheid in geschrift) en artikel 323a Sr (het opzettelijk en wederrechtelijk aanwenden van middelen die met een bepaald doel door of vanwege de overheid zijn verstrekt, voor andere doeleinden). De toerekening aan de rechtspersonen loopt via artikel 51 Sr; bij de bestuurder gaat het om feitelijke leidinggeven aan de door de rechtspersonen begane gedragingen.

In ECLI:NL:RBROT:2026:9286 wordt de Rotterdamse vennootschap onder feit 1 primair valsheid in geschrift verweten (COZO-vaststelling DOC-CZ-014, 28 december 2022) en onder feit 2 het aanwenden van € 124.221,65 en € 146.851,80 aan subsidiegelden voor andere doeleinden.

In ECLI:NL:RBROT:2026:9295 wordt de Deventer vennootschap onder feit 1 primair valsheid in geschrift verweten (COZO-vaststelling DOC-CZ-019, 25 juli 2022) en onder feit 2 het aanwenden van € 123.903,59 aan subsidiegelden voor andere doeleinden.

In ECLI:NL:RBROT:2026:9282 worden aan de bestuurder alle vier de feiten verweten: feitelijke leidinggeven aan valsheid in geschrift door de Rotterdamse vennootschap (feit 1 primair) en de Deventer vennootschap (feit 2 primair), en aan het aanwenden van subsidiegelden voor andere doeleinden door de Rotterdamse vennootschap (feit 3) en de Deventer vennootschap (feit 4).

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie vordert in ECLI:NL:RBROT:2026:9286 veroordeling voor de feiten 1 primair en 2 en een geldboete van € 27.000.

In ECLI:NL:RBROT:2026:9295 vordert het Openbaar Ministerie veroordeling voor de feiten 1 primair en 2 en een geldboete van € 12.000.

In ECLI:NL:RBROT:2026:9282 vordert het Openbaar Ministerie veroordeling voor de feiten 1 primair, 2 primair, 3 en 4, een gevangenisstraf van twaalf maanden en een bestuursverbod voor de duur van vijf jaren. Wat de vordering van de benadeelde partij betreft, acht het Openbaar Ministerie in alle drie de zaken toewijzing aangewezen, telkens met hoofdelijke veroordeling.

Standpunt van de verdediging

In alle drie de zaken bepleit de verdediging vrijspraak. De kern van het bewijsverweer is dat opzet en oogmerk ontbreken: de bestuurder heeft de COZO-vaststellingen ingediend op basis van door de detacheerders (Dakar Trading en, voor de Rotterdamse vennootschap, Meggzorg) aangeleverde gegevens, heeft de aangeleverde identiteitsbewijzen niet gecontroleerd en wist niet dat die gegevens onjuist waren. In het verlengde daarvan stelt de verdediging dat ook het opzet op het aanwenden van de subsidie voor een ander doel ontbreekt.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij bepleit de verdediging in alle drie de zaken primair niet-ontvankelijkheid wegens onevenredige belasting van het strafgeding, subsidiair afwijzing gelet op de bepleite vrijspraak.

Een strafmaatverweer wordt door de rechtspersonen niet gevoerd (ECLI:NL:RBROT:2026:9286 en ECLI:NL:RBROT:2026:9295). In de zaak tegen de bestuurder (ECLI:NL:RBROT:2026:9282) verzoekt de verdediging geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en te volstaan met een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf en/of een taakstraf.

Oordeel gerecht

De rechtbank verwerpt in alle drie de zaken het bewijsverweer. Op grond van het onderzoek van de Nederlandse Arbeidsinspectie stelt zij vast dat vanaf de bankrekeningen van de detacheerders geen salarisbetalingen zijn gedaan en geen aangiften loonbelasting zijn ingediend, en dat de overgeboekte gelden zijn doorgesluisd naar branche-onlogische bedrijven en buitenlandse bankrekeningen. Nader onderzoek naar de door de bestuurder aangeleverde werknemerslijsten en identiteitsbewijzen wijst uit dat geen van die namen personeel betreft dat bij de vennootschappen kan hebben gewerkt. De rechtbank concludeert dat de vennootschappen geen COZO-personeel in dienst hadden en acht de enkele stelling dat dit wel zo was, ongeloofwaardig. Daaruit volgt dat de COZO-vaststellingen met opzet valselijk zijn opgemaakt en dat opzettelijk met de subsidie is gefraudeerd, omdat deze niet is besteed aan coronabanen in de zorg.

Bij de rechtspersonen oordeelt de rechtbank dat de gedragingen in de sfeer van de rechtspersoon zijn verricht en haar dienstig zijn geweest, zodat deze gedragingen en het opzet daarop van de bestuurder aan de rechtspersoon kunnen worden toegerekend (ECLI:NL:RBROT:2026:9286 en ECLI:NL:RBROT:2026:9295). Bij de bestuurder oordeelt de rechtbank dat hij zich als feitelijke leidinggever schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift en aan het medeplegen van subsidiefraude door beide vennootschappen (ECLI:NL:RBROT:2026:9282).

In alle drie de zaken wijst de rechtbank het bij pleidooi herhaalde, maar niet nader onderbouwde verzoek om een getuige te horen af, omdat de noodzaak daartoe niet is gebleken.

Bewezenverklaring

In ECLI:NL:RBROT:2026:9286 (Rotterdamse vennootschap) wordt bewezen verklaard:

  • feit 1 primair: valsheid in geschrift (COZO-vaststelling DOC-CZ-014, 28 december 2022);

  • feit 2: medeplegen van het opzettelijk en wederrechtelijk aanwenden van € 124.221,65 en € 146.851,80 aan subsidiegelden voor andere doeleinden, meermalen gepleegd.

In ECLI:NL:RBROT:2026:9295 (Deventer vennootschap) wordt bewezen verklaard:

  • feit 1 primair: valsheid in geschrift (COZO-vaststelling DOC-CZ-019, 25 juli 2022);

  • feit 2: medeplegen van het opzettelijk en wederrechtelijk aanwenden van € 123.903,59 aan subsidiegelden voor andere doeleinden, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

In ECLI:NL:RBROT:2026:9282 (bestuurder) wordt bewezen verklaard:

  • feit 1 primair: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven (Rotterdamse vennootschap);

  • feit 2 primair: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven (Deventer vennootschap);

  • feit 3: medeplegen van het aanwenden van subsidiegelden voor andere doeleinden, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd (Rotterdamse vennootschap);

  • feit 4: medeplegen van het aanwenden van subsidiegelden voor andere doeleinden, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd (Deventer vennootschap).

Strafoplegging en maatregelen

In ECLI:NL:RBROT:2026:9286 legt de rechtbank de Rotterdamse vennootschap een geldboete van € 27.000 op, gelijk aan de eis. Zij houdt rekening met geldboetes in soortgelijke zaken en met de ouderdom van de feiten. De vordering van de benadeelde partij het Ministerie VWS wordt toegewezen tot € 264.183,45, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 september 2021, met hoofdelijke veroordeling en veroordeling in de proceskosten (begroot op nihil).

In ECLI:NL:RBROT:2026:9295 legt de rechtbank de Deventer vennootschap een geldboete van € 12.000 op, gelijk aan de eis, op dezelfde gronden. De vordering van het Ministerie VWS wordt toegewezen tot € 111.493,59, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 september 2021, met hoofdelijke veroordeling en veroordeling in de proceskosten (begroot op nihil).

In ECLI:NL:RBROT:2026:9282 legt de rechtbank de bestuurder een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden op met een proeftijd van twee jaren, een taakstraf van 240 uur (subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis) en, als bijkomende straf, ontzetting uit het beroep van statutair of feitelijk bestuurder van enige rechtspersoon voor de duur van vijf jaren (artikel 51 Sr). Anders dan het Openbaar Ministerie, dat twaalf maanden gevangenisstraf vorderde, legt de rechtbank geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op. Zij ziet daartoe aanleiding in de ouderdom van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Bij de strafmaat betrekt zij het hoge benadelingsbedrag en de LOVS-oriëntatiepunten voor fraude. Het bestuursverbod dient ter bescherming van de samenleving tegen hernieuwd misbruik van rechtspersonen, terwijl de verdachte niet wordt gehinderd om in loondienst inkomen te verwerven. De vordering van het Ministerie VWS wordt toegewezen tot € 375.677,04, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 september 2021, waarvan € 264.183,45 hoofdelijk met de Rotterdamse vennootschap en € 111.493,59 hoofdelijk met de Deventer vennootschap, met veroordeling in de proceskosten (begroot op nihil).

Lees hier de volledige uitspraken:

  • Rechtbank Rotterdam 14 juli 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:9286 (verdachte rechtspersoon, geldboete € 27.000): rechtspraak.nl

  • Rechtbank Rotterdam 14 juli 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:9295 (verdachte rechtspersoon, geldboete € 12.000): rechtspraak.nl

  • Rechtbank Rotterdam 14 juli 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:9282 (verdachte natuurlijk persoon, feitelijke leidinggever): rechtspraak.nl

Print Friendly and PDF ^