Hoge Raad verduidelijkt einde ontnemingszaak bij beklag over conservatoir beslag op hardware wallet met bitcoins

Hoge Raad 3 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:256

Achtergrond

In deze zaak staat een klaagschrift ex artikel 552a Wetboek van Strafvordering centraal dat betrekking heeft op conservatoir beslag op een hardware wallet met daarin ongeveer zes bitcoins. De wallet is op 24 november 2020 tijdens een strafrechtelijk onderzoek met de naam “Rockport” in beslag genomen onder de broer van klager. Zowel klager als zijn broer waren in dat onderzoek verdachte.

Het aanvankelijke beslag vond plaats op grond van artikel 94 Sv. Vervolgens heeft het openbaar ministerie op 7 december 2020 conservatoir beslag gelegd op de hardware wallet op grond van artikel 94a Sv. Dit conservatoir beslag diende ter bewaring van het recht van verhaal voor een ontnemingsmaatregel die was opgelegd aan de broer van klager in een eerdere ontnemingsprocedure.

De strafzaak in het onderzoek Rockport heeft uiteindelijk niet tot vervolging geleid. De strafzaak tegen de broer van klager is op 29 maart 2021 geseponeerd. Ook de strafzaak tegen klager is geseponeerd, waarbij het openbaar ministerie dit later nog schriftelijk heeft bevestigd. Het klassieke strafvorderlijke beslag op grond van artikel 94 Sv is daarop opgeheven. Het conservatoire beslag ex artikel 94a Sv bleef echter bestaan, omdat dit verband hield met de reeds opgelegde ontnemingsmaatregel tegen de broer van klager.

Die ontnemingsmaatregel vloeit voort uit een eerdere strafzaak tegen de broer van klager waarin hij is veroordeeld wegens – kort gezegd – het medeplegen van auteursrechtinbreuk en het bedrijfsmatig voorhanden hebben en verspreiden van illegale dvd’s en cd’s. Deze gedragingen kwalificeren onder meer als strafbare feiten als bedoeld in de Auteurswet. Aan de broer is een gevangenisstraf van twaalf maanden opgelegd, waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. In de ontnemingsprocedure is hem daarnaast een verplichting opgelegd tot betaling van € 2.272.536,67 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Wetboek van Strafrecht.

Klager stelt dat de hardware wallet en de daarin aanwezige bitcoins niet aan zijn broer, maar aan hem toebehoren. Volgens klager heeft hij de wallet kort voor de beslaglegging aan zijn broer overhandigd met het verzoek om de bitcoins te verkopen, omdat zijn broer meer technische kennis had. Klager onderbouwt zijn eigendomsclaim onder meer met een belastingaangifte waarin de bitcoins als zijn vermogen zijn opgenomen. Daarnaast voert hij aan dat hij de waarde van de bitcoins nodig heeft om in zijn levensonderhoud en financiële verplichtingen te voorzien.

Op 21 november 2022 dient klager een klaagschrift ex artikel 552a Sv in strekkende tot opheffing van het conservatoire beslag en teruggave van de hardware wallet met bitcoins. Uiteindelijk komt de zaak terecht bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, dat het klaagschrift niet-ontvankelijk verklaart omdat het volgens het hof te laat is ingediend.

Middel

In cassatie klaagt klager dat het hof hem ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn beklag. Volgens het cassatiemiddel heeft het hof een onjuiste maatstaf toegepast bij de beoordeling van de termijn waarbinnen het klaagschrift moest worden ingediend.

Het hof heeft de ontvankelijkheid beoordeeld aan de hand van artikel 552a lid 4 Sv. Deze bepaling geldt voor gevallen waarin nog geen vervolging is ingesteld. In dat geval moet een klaagschrift uiterlijk binnen twee jaar na de inbeslagneming worden ingediend. Omdat het klaagschrift volgens het hof buiten die termijn zou zijn ingediend, heeft het hof klager niet-ontvankelijk verklaard.

Daarnaast overweegt het hof ten overvloede dat het klaagschrift ook niet-ontvankelijk zou zijn geweest indien artikel 552a lid 3 Sv van toepassing was geweest. Deze bepaling geldt wanneer wel een vervolging heeft plaatsgevonden en bepaalt dat het klaagschrift uiterlijk binnen drie maanden na het einde van de vervolgde zaak moet worden ingediend. Volgens het hof was die termijn eveneens verstreken, omdat de strafzaak tegen klager in maart 2021 was geseponeerd.

Het cassatiemiddel betoogt dat dit oordeel onjuist en onbegrijpelijk is, omdat het beslag verband houdt met een andere zaak, namelijk de ontnemingsprocedure tegen de broer van klager.

Beoordeling Hoge Raad

Beoordeling van het middel: toepasselijke termijn voor beklag

De Hoge Raad stelt voorop dat uit artikel 552a lid 3 Sv volgt dat een klaagschrift ontvankelijk is zolang nog geen drie maanden zijn verstreken nadat de vervolgde zaak tot een einde is gekomen. Wanneer sprake is van conservatoir beslag op grond van artikel 94a Sv, moet bij de vraag wanneer de vervolgde zaak tot een einde is gekomen worden gekeken naar de strafzaak of – indien het beslag strekt tot verhaal voor een ontnemingsmaatregel – naar de behandeling van de ontnemingsvordering.

Volgens de Hoge Raad is het oordeel van het hof dat artikel 552a lid 4 Sv van toepassing is onjuist. Uit de vaststellingen van het hof volgt immers dat sprake is van vervolging. In dat geval had het hof de ontvankelijkheid moeten beoordelen op grond van artikel 552a lid 3 Sv.

Ook de overweging ten overvloede van het hof houdt volgens de Hoge Raad geen stand. Het hof baseert daarin zijn oordeel op het sepot van de strafzaak tegen klager in het Rockport-onderzoek. Het beslag waartegen het beklag zich richt, houdt echter verband met een andere procedure, namelijk de ontnemingsprocedure tegen de broer van klager. Het oordeel van het hof is daarom niet begrijpelijk.

Wanneer eindigt de ontnemingszaak?

De Hoge Raad gaat vervolgens in op de vraag wanneer een ontnemingsprocedure moet worden geacht tot een einde te zijn gekomen in de zin van artikel 552a lid 3 Sv.

De Hoge Raad overweegt dat een onherroepelijke uitspraak op een ontnemingsvordering weliswaar geldt als executoriale titel, maar dat de tenuitvoerlegging daarvan pas kan plaatsvinden wanneer ook de onderliggende strafrechtelijke veroordeling – waarop artikel 36e Sr ziet – onherroepelijk is geworden. Daarnaast bepaalt artikel 511i Sv dat een ontnemingsuitspraak van rechtswege vervalt indien de strafzaak uiteindelijk niet tot een veroordeling leidt.

Daaruit leidt de Hoge Raad af dat wanneer de beslissing in de ontnemingsprocedure al onherroepelijk is, maar de strafrechtelijke veroordeling nog niet, de ontnemingszaak pas tot een einde komt wanneer ook die veroordeling onherroepelijk wordt.

Afdoening door de Hoge Raad

Hoewel de beschikking van het hof dus juridisch onjuist is gemotiveerd, leidt dit niet tot terugwijzing van de zaak. De Hoge Raad wijst erop dat inmiddels het cassatieberoep in de strafzaak tegen de broer van klager is verworpen. Daardoor is de veroordeling onherroepelijk geworden en kan de ontnemingsmaatregel worden geëxecuteerd.

Volgens artikel 6:4:4 Sv vindt verhaal op conservatoir in beslag genomen voorwerpen plaats volgens de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Die regels zijn ook van toepassing op derden die menen recht te hebben op de in beslag genomen goederen.

Dat betekent dat klager – die stelt eigenaar te zijn van de hardware wallet met bitcoins – zijn aanspraak niet via een strafrechtelijke beklagprocedure, maar via de civiele rechter moet laten beoordelen.

Omdat na terugwijzing slechts opnieuw een niet-ontvankelijkverklaring zou kunnen volgen, doet de Hoge Raad de zaak zelf af. De bestreden beschikking wordt vernietigd, maar het klaagschrift wordt alsnog niet-ontvankelijk verklaard.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Ontbrekend zittingsproces-verbaal fataal voor ontnemingsarrest

Hoge Raad 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:181

Dit betreft een ontnemingszaak waarin het gerechtshof Amsterdam in 2009 een betalingsverplichting oplegt van 27.161,94 euro wegens wederrechtelijk verkregen voordeel uit onder meer diefstal, oplichting en witwassen. In cassatie klaagt de betrokkene dat het openbaar ministerie ten onrechte ontvankelijk is verklaard in de ontnemingsvordering en dat het hof ten onrechte verstek tegen hem heeft verleend. Voor de beoordeling van deze klachten is het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van essentieel belang. Uit informatie van de griffier blijkt echter dat dit proces-verbaal niet meer beschikbaar is en ook niet kan worden gereconstrueerd. Daardoor kan de Hoge Raad niet toetsen wat zich ter terechtzitting heeft voorgedaan en of het middel terecht is voorgesteld, zodat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven. De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam voor nieuwe berechting en afdoening.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Illegale verhandeling van D-Carvone als gewasbeschermingsmiddel niet uitgezonderd van toelatingsplicht

Hoge Raad 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:223

Dit betreft een veroordeling wegens het opzettelijk en meermalen op de markt brengen van het gewasbeschermingsmiddel D-Carvone zonder toelating als bedoeld in artikel 28 lid 1 Verordening (EG) 1107/2009 en artikel 20 lid 1 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, alsmede wegens valsheid in geschrift. De verdachte verkoopt het middel als kiemremmingsmiddel voor pootaardappelen terwijl geen toelating door het Ctgb is verleend en krijgt een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden en een taakstraf van 100 uren opgelegd. In cassatie voert hij aan dat D-Carvone onder Richtlijn 88/388/EEG inzake aroma’s valt en daarom is uitgezonderd van de toelatingsplicht op grond van de Regeling uitzondering bestrijdingsmiddelen oud. De Hoge Raad oordeelt dat deze uitzondering alleen geldt wanneer de stof als aroma voor levensmiddelen wordt gebruikt en niet wanneer zij als gewasbeschermingsmiddel wordt toegepast. Omdat het middel in deze zaak als gewasbeschermingsmiddel wordt verhandeld, is de Europese toelatingsregeling onverkort van toepassing en faalt het cassatiemiddel.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Weigering nultarief wegens btw-fraude niet automatisch grond voor vergrijpboete

Hoge Raad 20 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:279

De Hoge Raad oordeelt dat de inspecteur het nultarief voor intracommunautaire leveringen terecht weigert wegens betrokkenheid bij btw-fraude, maar dat dit niet automatisch een vergrijpboete rechtvaardigt. Voor een boete op grond van artikel 67f AWR is vereist dat het opzet of de grove schuld is gericht op het niet betalen van in Nederland verschuldigde omzetbelasting. Opzet dat uitsluitend ziet op het ontgaan van btw in een andere lidstaat is daarvoor onvoldoende. In dit geval is de naheffingsaanslag uitsluitend gebaseerd op het achteraf weigeren van het nultarief wegens fraude. Artikel 67f AWR biedt daarvoor geen grondslag, gelet op het legaliteitsbeginsel. De Hoge Raad vernietigt daarom de boetebeschikkingen en kent een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn

Read More
Print Friendly and PDF ^

Langdurige digitale terreur en fysieke intimidatie rechtvaardigen schadevergoeding: ook kosten psychische hulp vallen onder schadevergoedingsmaatregel

Hoge Raad 3 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:147

De verdachte is veroordeeld voor belaging, smaadschrift en vernieling. Zij belaagde het slachtoffer ruim 13 maanden digitaal en fysiek. Het hof legde een taakstraf en een schadevergoedingsmaatregel op van €12.487,43. De Hoge Raad acht dit oordeel juridisch juist en toereikend gemotiveerd. Ook de kosten voor psychische hulp vallen onder de maatregel. Vanwege termijnoverschrijding wordt de taakstraf met 7 uur verminderd.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Getuigenverklaring zonder ondervraging toch bruikbaar: Hoge Raad bevestigt ruime compensatiemogelijkheden na Keskin

Hoge Raad 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:220

De verdachte is veroordeeld voor medeplegen van mensenhandel van een minderjarige op grond van artikel 273f lid 1 onder 2°, 3°, 5° en 9° Sr en krijgt negentien maanden gevangenisstraf. De aangeefster kan door de verdediging niet worden ondervraagd omdat zij onvindbaar is, terwijl haar verklaring beslissend is voor het bewijs. Het hof oordeelt dat voldoende compenserende factoren bestaan, waaronder kritisch politieverhoor, steunbewijs uit telecomgegevens en het horen van ouders en voogd. Volgens de Hoge Raad heeft het hof de betrouwbaarheid van haar verklaring zorgvuldig onderzocht in samenhang met het overige bewijs. Het oordeel dat het proces als geheel eerlijk is verlopen is juridisch juist en toereikend gemotiveerd. Wel wordt de straf verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Afroomboete bij witwassen: grenzen en motiveringsvereisten verduidelijkt

Hoge Raad 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:179

De verdachte wordt door het hof veroordeeld wegens witwassen ex artikel 420bis lid 1 onder b Sr, bestaande uit het langdurig profiteren van een met crimineel vermogen verbouwde woning. Het hof legt een taakstraf en een geldboete van 50000 euro op, waarbij de boete mede strekt tot afroming van het behaalde voordeel. In cassatie wordt onder meer geklaagd dat een dergelijke ‘afroomboete’ niet is toegestaan naast een mogelijke ontnemingsprocedure. De Hoge Raad oordeelt dat de feitenrechter de hoogte van een geldboete mede mag afstemmen op het wederrechtelijk verkregen voordeel, mits de motivering voldoende inzicht biedt en dubbele ontneming wordt voorkomen. De ontnemingsrechter moet bij latere vaststelling van een betalingsverplichting rekening houden met een dergelijke boete. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Aanvangsmoment redelijke termijn in ontnemingszaak: voornemen van de officier van justitie beslissend

Hoge Raad 3 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:167

In deze ontnemingszaak wegens wederrechtelijk verkregen voordeel uit gewoontewitwassen stelt het hof het voordeel vast op grond van artikel 36e lid 3 Sr met toepassing van de eenvoudige kasopstelling en legt een betalingsverplichting van 149.387,60 euro op. In cassatie klaagt de betrokkene dat het hof een onjuist aanvangsmoment hanteert voor de redelijke termijn van artikel 6 lid 1 EVRM.
Volgens het middel moet die termijn aanvangen bij de start van het strafrechtelijk financieel onderzoek ex artikel 126 Sv en niet bij het kenbaar gemaakte voornemen van de officier van justitie ex artikel 311 lid 1 Sv. De Hoge Raad herhaalt zijn rechtspraak dat het aan de feitenrechter is het aanvangsmoment vast te stellen en dat dit oordeel in cassatie slechts beperkt toetsbaar is. Het oordeel van het hof is niet onjuist en voldoende gemotiveerd, zodat het cassatieberoep wordt verworpen.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Miljoenenbeslag Surinaamse geldzending definitief in stand na derde cassatie

Hoge Raad 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:49

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep tegen de beschikking van het gerechtshof Den Haag waarbij het beslag op een geldzending van 19,5 miljoen euro uit Suriname in stand blijft. De FIOD neemt het bedrag in 2018 op Schiphol in beslag wegens verdenking van witwassen; het geld is eigendom van drie Surinaamse handelsbanken en de Centrale Bank van Suriname treedt op als shipper. Het hof verklaart het beklag ongegrond en oordeelt dat de centrale bank geen immuniteit geniet, omdat het geld niet haar eigendom is maar dat van de handelsbanken. Ook acht het hof het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter later tot verbeurdverklaring zal overgaan.
In cassatie wordt onder meer geklaagd over het immuniteitsoordeel en de gehanteerde maatstaf bij de beoordeling van het beslag. De Hoge Raad past artikel 81 lid 1 RO toe en laat het oordeel van het hof zonder nadere motivering in stand, waarmee de beklagprocedure definitief is beëindigd.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Formele eis leidt niet tot niet-ontvankelijkheid: uitreiking oproeping in persoon maakt gebrek in volmacht onschadelijk

Hoge Raad 3 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:156

De verdachte is door de politierechter veroordeeld tot tien dagen gevangenisstraf wegens belediging van een treinconducteur. Zijn advocaat stelde hoger beroep in via een volmacht, maar het hof verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens een formeel gebrek. De volmacht bevatte namelijk niet de instemming van de verdachte met het direct in ontvangst nemen van de oproeping door de griffie. De Hoge Raad oordeelt dat dit in dit geval niet tot niet-ontvankelijkheid mocht leiden, omdat de oproeping later in persoon aan de verdachte is uitgereikt. Daarmee is het beschermde belang van artikel 450 lid 3 Sv niet geschonden. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor een nieuwe behandeling.

Read More
Print Friendly and PDF ^