Afroomboete bij witwassen: grenzen en motiveringsvereisten verduidelijkt
/Hoge Raad 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:179
De verdachte wordt door het hof veroordeeld wegens witwassen ex artikel 420bis lid 1 onder b Sr, bestaande uit het langdurig profiteren van een met crimineel vermogen verbouwde woning. Het hof legt een taakstraf en een geldboete van 50000 euro op, waarbij de boete mede strekt tot afroming van het behaalde voordeel. In cassatie wordt onder meer geklaagd dat een dergelijke ‘afroomboete’ niet is toegestaan naast een mogelijke ontnemingsprocedure. De Hoge Raad oordeelt dat de feitenrechter de hoogte van een geldboete mede mag afstemmen op het wederrechtelijk verkregen voordeel, mits de motivering voldoende inzicht biedt en dubbele ontneming wordt voorkomen. De ontnemingsrechter moet bij latere vaststelling van een betalingsverplichting rekening houden met een dergelijke boete. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Achtergrond
De verdachte, geboren in 1949, wordt door het gerechtshof Amsterdam bij arrest van 1 februari 2024 veroordeeld wegens witwassen in de zin van artikel 420bis lid 1 onder b van het Wetboek van Strafrecht. Het hof acht bewezen dat de verdachte zich gedurende een lange periode schuldig maakt aan witwassen door te wonen in en het genot te hebben van een stolpboerderij die in de jaren 1999 en 2000 wordt verbouwd met crimineel vermogen. Het hof stelt vast dat de verdachte profiteert van met misdrijf verkregen gelden die zijn geïnvesteerd in de verbouwing en inrichting van het pand.
In eerste aanleg spreekt de rechtbank de verdachte integraal vrij. In hoger beroep komt het hof tot een bewezenverklaring. Het hof oordeelt dat de verdachte door het bewonen van en profiteren van de met crimineel vermogen verbouwde woning opbrengsten van misdrijf aan het zicht van justitie en de Belastingdienst onttrekt. Volgens het hof levert dit een bedreiging op voor de integriteit van het financieel en economisch bestel. Witwassen draagt bij aan het in stand houden en bevorderen van illegale winsten en ondermijnt daarmee de rechtsstaat.
Het hof betrekt bij de straftoemeting dat de verdachte gedurende ruim acht jaar profiteert van de verbouwde boerderij en dat daarmee omvangrijke bedragen zijn gemoeid. Het hof houdt rekening met de ouderdom van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en acht oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet wenselijk. De verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren en een geldboete van 50000 euro, subsidiair 285 dagen hechtenis. Ten aanzien van de geldboete overweegt het hof uitdrukkelijk dat deze strekt tot benadrukking van de ernst van het feit alsmede tot afroming van het door de verdachte behaalde voordeel.
Namens de verdachte wordt cassatie ingesteld. De advocaat-generaal bij de Hoge Raad concludeert tot vernietiging van het arrest, maar uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging.
Middel
Het eerste middel bevat bewijsklachten over de criminele herkomst van de in de woning geïnvesteerde geldbedragen en over de wetenschap van de verdachte. De verdediging betoogt dat het hof ontoereikend motiveert dat sprake is van geldbedragen van criminele herkomst en dat de verdachte daarvan wetenschap heeft.
Het derde middel richt zich tegen de opgelegde geldboete van 50000 euro. Volgens de steller van het middel is het niet toegestaan een geldboete op te leggen die mede strekt tot afroming van het door het bewezenverklaarde feit verkregen voordeel, in het bijzonder nu het openbaar ministerie aankondigt een ontnemingsprocedure aanhangig te maken. De verdediging voert aan dat hierdoor het risico ontstaat dat hetzelfde voordeel zowel via de geldboete als via een ontnemingsmaatregel wordt ontnomen.
Daarnaast wordt een tweede middel voorgesteld, maar de Hoge Raad past daarop artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie toe.
Beoordeling Hoge Raad
Ten aanzien van het eerste middel
De Hoge Raad verwerpt het eerste middel onder verwijzing naar de conclusie van de advocaat-generaal. Uit die conclusie volgt dat het hof kan oordelen dat de in 2001 vastgestelde WOZ-waarde van de woning geen irreële overschatting vormt van de marktwaarde op dat moment. Voorts mag het hof op basis van algemene ervaringsregels aannemen dat de verdachte als eigenaar en gebruiker van het pand rechtstreeks betrokken is bij belangrijke beslissingen omtrent verbouwing en inrichting, en enig inzicht heeft in de wijze waarop de investering in haar pand wordt gefinancierd. Het oordeel dat sprake is van criminele herkomst en van wetenschap bij de verdachte is derhalve niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
Ten aanzien van het derde middel
De Hoge Raad grijpt de zaak aan om algemene uitgangspunten te formuleren over de oplegging van een geldboete die mede strekt tot afroming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De Hoge Raad herhaalt dat de feitenrechter beschikt over een ruime straftoemetingsvrijheid binnen de grenzen van de wet. Bij de keuze voor een geldboete en bij de vaststelling van de hoogte daarvan mag de rechter rekening houden met de aard en ernst van het feit, de gevolgen ervan en met het financieel voordeel dat de verdachte met het bewezenverklaarde feit behaalt. Ook staat geen rechtsregel eraan in de weg dat de rechter de hoogte van de geldboete mede bepaalt aan de hand van de omvang van het uit het bewezenverklaarde feit verkregen voordeel.
Indien de rechter deze factor betrekt bij de bepaling van de geldboete, moet de uitspraak voldoende inzicht bieden in de wijze waarop de omvang van het voordeel wordt geschat. Dit is in het bijzonder van belang wanneer de rechter met de geldboete beoogt een deel van het wederrechtelijk verkregen voordeel te ontnemen. Voorkomen moet immers worden dat hetzelfde voordeel dubbel wordt ontnomen, eerst via de geldboete en vervolgens via een ontnemingsmaatregel als bedoeld in artikel 36e Sr. De motiveringsplicht van artikel 359 lid 5 Sv strekt ertoe dat de rechter dit inzicht verschaft. Daarbij is van belang wat ter terechtzitting aan de orde is gesteld en in hoeverre de verdediging zich over de relevante feiten en omstandigheden heeft kunnen uitlaten.
Met het oog op een mogelijke ontnemingsprocedure benadrukt de Hoge Raad het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel. Onder eerdere verplichtingen tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in de zin van artikel 36e lid 10 Sr moet mede worden begrepen een geldboete die deels is opgelegd met het oog op afroming van voordeel. De rechter in de ontnemingsprocedure dient bij de vaststelling van de betalingsverplichting rekening te houden met een dergelijke boete. Indien de strafrechter op dit punt geen adequate motivering geeft, maar de ontnemingsrechter aanleiding heeft te veronderstellen dat de geldboete mede strekt tot afroming, is deze gehouden daarmee in matigende zin rekening te houden.
Tegen deze achtergrond oordeelt de Hoge Raad dat de opvatting dat een geldboete die mede strekt tot afroming van wederrechtelijk verkregen voordeel niet is toegestaan, onjuist is. Het middel berust derhalve op een onjuiste rechtsopvatting en faalt.
Ten aanzien van het tweede middel
De Hoge Raad past artikel 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie toe en ziet geen aanleiding tot nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Ambtshalve beoordeling
De Hoge Raad constateert dat de redelijke termijn in cassatie als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden, nu meer dan twee jaren zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Gelet op de beperkte mate van overschrijding volstaat de Hoge Raad met de constatering daarvan en verbindt hij daaraan geen rechtsgevolg.
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Met dit arrest bevestigt de Hoge Raad dat de strafrechter de geldboete mag inzetten als instrument om wederrechtelijk verkregen voordeel af te romen, mits de motivering voldoende inzicht biedt in de schatting van dat voordeel en dubbele ontneming wordt voorkomen. Daarmee wordt de samenloop tussen straftoemeting en ontneming nader omlijnd.
Lees hier de volledige uitspraak.
