Ontbrekend zittingsproces-verbaal fataal voor ontnemingsarrest

Hoge Raad 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:181

Dit betreft een ontnemingszaak waarin het gerechtshof Amsterdam in 2009 een betalingsverplichting oplegt van 27.161,94 euro wegens wederrechtelijk verkregen voordeel uit onder meer diefstal, oplichting en witwassen. In cassatie klaagt de betrokkene dat het openbaar ministerie ten onrechte ontvankelijk is verklaard in de ontnemingsvordering en dat het hof ten onrechte verstek tegen hem heeft verleend. Voor de beoordeling van deze klachten is het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van essentieel belang. Uit informatie van de griffier blijkt echter dat dit proces-verbaal niet meer beschikbaar is en ook niet kan worden gereconstrueerd. Daardoor kan de Hoge Raad niet toetsen wat zich ter terechtzitting heeft voorgedaan en of het middel terecht is voorgesteld, zodat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven. De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam voor nieuwe berechting en afdoening.

Achtergrond

In deze zaak staat een ontnemingsprocedure centraal tegen een betrokkene, geboren in 1969 te geboorteplaats. Het betreft een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr. De ontnemingsmaatregel houdt verband met strafbare feiten die volgens de inhoudsindicatie bestaan uit diefstal, oplichting en witwassen. De uitspraak van het gerechtshof dateert van 10 maart 2009.

Uit de beschikbare gegevens blijkt dat het gerechtshof Amsterdam bij arrest van 10 maart 2009 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vaststelt op 47.285,94 euro. Het hof legt aan de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van 27.161,94 euro. De beslissing vindt plaats in het kader van een afzonderlijke ontnemingsprocedure die volgt op een strafrechtelijke veroordeling ter zake van – naar moet worden aangenomen – diefstal, oplichting en witwassen. De exacte strafrechtelijke veroordeling, de toepasselijke wetsartikelen en de opgelegde hoofdstraf blijken niet uit de beschikbare gegevens van het arrest van de Hoge Raad. Evenmin blijkt uit de stukken of en in hoeverre het voordeel rechtstreeks is gerelateerd aan specifieke bewezenverklaarde feiten en welke berekeningsmethode het hof heeft gehanteerd.

De betrokkene stelt beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof. Namens hem dient zijn advocaat één cassatiemiddel in. De advocaat-generaal bij de Hoge Raad concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan. In zijn conclusie besteedt de advocaat-generaal tevens aandacht aan de ontvankelijkheid van het cassatieberoep in het licht van artikel 432 lid 2 Sv in verbinding met artikel 511h Sv, alsmede aan de vraag of het recht tot tenuitvoerlegging van de ontnemingsmaatregel is verjaard in verband met de executieverjaringstermijn.

Middel

Het cassatiemiddel richt zich tegen twee kernpunten van de beslissing van het hof. In de eerste plaats klaagt het middel dat het hof het openbaar ministerie ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard in de ontnemingsvordering. De verdediging betoogt kennelijk dat niet is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de zin van artikel 36e Sr en de daarop toepasselijke strafvorderlijke bepalingen.

In de tweede plaats klaagt het middel over de beslissing van het hof om verstek te verlenen tegen de niet verschenen betrokkene. De klacht ziet daarmee op de berechting in hoger beroep bij verstek en de vraag of het hof op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan de regels inzake betekening, oproeping en verschijning ter terechtzitting, zoals neergelegd in het Wetboek van Strafvordering. De verdediging stelt zich op het standpunt dat het hof ten onrechte verstek heeft verleend, hetgeen mogelijk gevolgen heeft gehad voor de rechtspositie van de betrokkene en de beoordeling van de ontnemingsvordering.

Uit de conclusie van de advocaat-generaal blijkt dat de beoordeling van het middel nauw samenhangt met hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep is voorgevallen. Met name voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en de vraag of het hof terecht verstek heeft verleend, is van belang wat zich tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft afgespeeld, welke standpunten daar zijn ingenomen en welke beslissingen het hof toen heeft genomen.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad stelt voorop dat voor een adequate beoordeling van het cassatiemiddel noodzakelijk is dat hij kennis kan nemen van hetgeen tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde is geweest. Het proces-verbaal van de terechtzitting vormt daarbij een essentieel processtuk. Dit proces-verbaal biedt inzicht in het verloop van de zitting, de aanwezigheid of afwezigheid van de betrokkene, de wijze van oproeping, eventuele gevoerde verweren en de beslissingen die daarop zijn genomen.

Uit de in de conclusie van de advocaat-generaal weergegeven brief van de griffier van het gerechtshof blijkt evenwel dat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep niet beschikbaar is in deze zaak. Daarnaast wordt ambtshalve vastgesteld dat ook de uitwerking van het verkorte arrest zich niet bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt en dat moet worden aangenomen dat deze stukken niet meer beschikbaar zullen komen.

De Hoge Raad overweegt dat onder deze omstandigheden niet kan worden beoordeeld of het cassatiemiddel terecht is voorgesteld. Zonder kennis te kunnen nemen van het proces-verbaal van de terechtzitting kan de Hoge Raad niet vaststellen of het hof het openbaar ministerie terecht ontvankelijk heeft verklaard in de ontnemingsvordering en evenmin of het hof op juiste gronden verstek heeft verleend tegen de niet verschenen betrokkene. De cassatierechter is immers gebonden aan de stukken van het geding en kan slechts op basis daarvan toetsen of het recht is geschonden of verzuimen zijn begaan.

Het ontbreken van het proces-verbaal van de terechtzitting raakt aan de kern van de cassatierechtspraak, waarin de Hoge Raad toetst aan de hand van de processtukken. Indien essentiële stukken ontbreken en niet kunnen worden gereconstrueerd, kan geen inhoudelijke beoordeling van de voorgestelde middelen plaatsvinden. Dit brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven.

De Hoge Raad vernietigt daarom de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 10 maart 2009. De zaak wordt teruggewezen naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan. Daarmee krijgt het hof de gelegenheid om de ontnemingsvordering opnieuw te behandelen en te beslissen, met inachtneming van de geldende procesregels en met vastlegging van het verloop van de terechtzitting in een deugdelijk proces-verbaal.

De Hoge Raad laat zich in dit arrest niet inhoudelijk uit over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie of over de rechtmatigheid van de verstekverlening. Evenmin wordt inhoudelijk beslist op de door de advocaat-generaal besproken vragen omtrent de ontvankelijkheid van het cassatieberoep en de mogelijke verjaring van het recht tot tenuitvoerlegging van de ontnemingsmaatregel. De vernietiging berust uitsluitend op het ontbreken van essentiële processtukken, waardoor een inhoudelijke toetsing onmogelijk is.

Met dit arrest onderstreept de Hoge Raad het fundamentele belang van een volledig en beschikbaar procesdossier voor de cassatierechter. Het proces-verbaal van de terechtzitting vormt een onmisbaar onderdeel van dat dossier. Het ontbreken daarvan leidt in dit geval tot vernietiging en terugwijzing, zodat de rechtsbescherming van de betrokkene gewaarborgd blijft en de zaak opnieuw kan worden beoordeeld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^