Getuigenverklaring zonder ondervraging toch bruikbaar: Hoge Raad bevestigt ruime compensatiemogelijkheden na Keskin
/Hoge Raad 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:220
De verdachte is veroordeeld voor medeplegen van mensenhandel van een minderjarige op grond van artikel 273f lid 1 onder 2°, 3°, 5° en 9° Sr en krijgt negentien maanden gevangenisstraf. De aangeefster kan door de verdediging niet worden ondervraagd omdat zij onvindbaar is, terwijl haar verklaring beslissend is voor het bewijs. Het hof oordeelt dat voldoende compenserende factoren bestaan, waaronder kritisch politieverhoor, steunbewijs uit telecomgegevens en het horen van ouders en voogd. Volgens de Hoge Raad heeft het hof de betrouwbaarheid van haar verklaring zorgvuldig onderzocht in samenhang met het overige bewijs. Het oordeel dat het proces als geheel eerlijk is verlopen is juridisch juist en toereikend gemotiveerd. Wel wordt de straf verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.
Achtergrond
In deze zaak staat een veroordeling wegens medeplegen van mensenhandel centraal. De verdachte is door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch veroordeeld voor mensenhandel ten aanzien van een minderjarige aangeefster, gepleegd in de periode van 1 augustus 2017 tot en met 21 augustus 2017 in Hongarije, Duitsland en Nederland. Het betreft strafbare feiten als bedoeld in artikel 273f, eerste lid, onder 2°, 3°, 5° en 9° Sr.
Het hof acht bewezen dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander de destijds zestienjarige aangeefster heeft geworven, vervoerd, overgebracht en gehuisvest met het oogmerk van uitbuiting. Daarnaast heeft hij haar aangeworven en meegenomen met het oogmerk haar in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen tegen betaling, haar daartoe gebracht terwijl zij minderjarig was en haar door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en een kwetsbare positie bewogen hem te bevoordelen uit de opbrengst van die seksuele handelingen.
Uit de bewijsvoering volgt dat de aangeefster vanuit Hongarije naar Nederland is gebracht om in de prostitutie te werken. Zij verblijft in de woning van de verdachte, gebruikt een telefoon die tijdens de reis en nadien in contact staat met telefoonnummers van de verdachte, diens partner en diens moeder, en gaat op 21 augustus 2017 werken in een gehuurde prostitutieruimte. Haar verklaringen vinden volgens het hof op essentiële onderdelen steun in objectieve gegevens, waaronder telecomgegevens en verklaringen van andere betrokkenen. Tevens beschikt zij over specifieke kennis van persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van negentien maanden, met aftrek van voorarrest. In cassatie staat met name de vraag centraal of het gebruik voor het bewijs van de verklaringen van de aangeefster – die door de verdediging niet is kunnen worden ondervraagd – verenigbaar is met artikel 6 EVRM.
Middel
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof de verklaringen van de aangeefster ten onrechte voor het bewijs heeft gebruikt. De verdediging voert aan dat zij, ondanks herhaalde verzoeken, geen behoorlijke en effectieve gelegenheid heeft gehad om de aangeefster te ondervragen, nu zij onvindbaar blijkt. Volgens de verdediging rust de bewezenverklaring in beslissende mate op haar verklaringen en bestaan onvoldoende compenserende factoren om het gemis van het ondervragingsrecht te neutraliseren.
De verdediging betoogt dat het uitluisteren van audio-opnamen van de politieverhoren geen toereikende compensatie vormt. Ook het horen van de ouders en de voogd van de aangeefster biedt volgens haar onvoldoende mogelijkheid om de betrouwbaarheid van de verklaringen te toetsen, nu zij slechts beperkt uit eigen wetenschap kunnen verklaren. Gelet op het gewicht van de verklaringen van de aangeefster zou volgens de verdediging sterk steunbewijs vereist zijn, dat ontbreekt. Gebruik van haar verklaringen zou daarom strijd opleveren met artikel 6, eerste en derde lid onder d, EVRM.
Beoordeling Hoge Raad
De Hoge Raad stelt voorop dat in gevallen waarin de verdediging, ondanks het nodige initiatief, geen behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad een getuige te ondervragen, de rechter moet beoordelen of het proces als geheel eerlijk is verlopen. Daarbij zijn van belang: de reden voor het ontbreken van de ondervragingsgelegenheid, het gewicht van de verklaring in de bewijsconstructie en het bestaan van voldoende compenserende factoren. De Hoge Raad verwijst naar zijn eerdere rechtspraak van 20 april 2021 en 12 oktober 2021.
In cassatie staat niet ter discussie dat sprake is van een goede reden voor het uitblijven van ondervraging, namelijk dat de aangeefster onvindbaar is, en dat haar verklaringen beslissend zijn voor de veroordeling. De kernvraag is of voldoende compenserende factoren aanwezig zijn.
De Hoge Raad overweegt dat het hof in zijn beoordeling uitvoerig heeft gemotiveerd welke factoren het in aanmerking heeft genomen. Zo is de aangeefster meermalen uitgebreid door de politie gehoord en daarbij kritisch bevraagd. De politie heeft in het Nederlandse stelsel de taak zowel belastend als ontlastend materiaal te verzamelen. Daarnaast is de verdachte herhaaldelijk gehoord en geconfronteerd met de verklaringen van de aangeefster. Hij is in de gelegenheid gesteld die verklaringen te weerspreken, maar heeft in essentie volstaan met een blote ontkenning.
Voorts heeft de politie onderzoek verricht naar de telefoons van de aangeefster, de verdachte, diens partner en diens moeder. Uit telecomgegevens blijkt van onderling contact rond de relevante periode, alsmede van contact met de verhuurder van de prostitutieruimte waar de aangeefster gaat werken. De verklaringen van de aangeefster vinden op essentiële onderdelen steun in deze objectieve gegevens, zoals haar verblijf in de woning van de verdachte, het gebruik van een identiteitsbewijs van haar zus, het ontvangen en gebruiken van een specifieke telefoon en de concrete afspraken omtrent haar werkzaamheden.
Daarnaast heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdediging de gelegenheid heeft gekregen de ouders en de voogd van de aangeefster als getuigen te horen. Hoewel zij beperkt uit eigen wetenschap verklaren, leveren hun verklaringen geen aanwijzingen op dat aan de betrouwbaarheid van de aangeefster moet worden getwijfeld. Ook zijn audio-opnamen van de verhoren aan de verdediging verstrekt.
Tegen deze achtergrond oordeelt de Hoge Raad dat het hof tot het oordeel heeft kunnen komen dat het ontbreken van een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid voldoende is gecompenseerd. In dat oordeel ligt besloten dat het hof de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster zorgvuldig heeft onderzocht, in samenhang met het overige bewijsmateriaal en in het licht van de betwisting door de verdachte.
Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Het cassatiemiddel faalt derhalve.
Ambtshalve stelt de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden. Dit leidt tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van negentien maanden naar achttien maanden en één week. Voor het overige wordt het beroep verworpen.
Deze uitspraak bevestigt dat ook in situaties waarin een doorslaggevende getuige niet kan worden ondervraagd, gebruik van diens verklaring mogelijk blijft, mits de rechter de betrouwbaarheid daarvan indringend toetst en voldoende compenserende factoren aanwezig zijn.
Lees hier de volledige uitspraak.
