Langdurige digitale terreur en fysieke intimidatie rechtvaardigen schadevergoeding: ook kosten psychische hulp vallen onder schadevergoedingsmaatregel

Hoge Raad 3 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:147

De verdachte is veroordeeld voor belaging, smaadschrift en vernieling. Zij belaagde het slachtoffer ruim 13 maanden digitaal en fysiek. Het hof legde een taakstraf en een schadevergoedingsmaatregel op van €12.487,43. De Hoge Raad acht dit oordeel juridisch juist en toereikend gemotiveerd. Ook de kosten voor psychische hulp vallen onder de maatregel. Vanwege termijnoverschrijding wordt de taakstraf met 7 uur verminderd.

Achtergrond

De verdachte, een vrouw geboren in 1975, is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 30 november 2023 veroordeeld voor (1) belaging (artikel 285b lid 1 Sr), (2) meermalen gepleegd smaadschrift (artikel 261 lid 2 Sr) en (3) opzettelijke en wederrechtelijke beschadiging van andermans goed (artikel 350 lid 1 Sr). Zij heeft het slachtoffer gedurende dertien maanden ernstig en structureel lastiggevallen. De bewezenverklaarde gedragingen bestonden uit het stelselmatig (anoniem) bellen, het aanmaken van diverse Instagramaccounts waarop bewerkte foto's van het slachtoffer werden geplaatst met beledigende, seksueel expliciete en lasterlijke teksten, gericht op het ondermijnen van haar reputatie en het beschadigen van haar professionele netwerk.

Daarnaast is de verdachte herhaaldelijk langs de woning van het slachtoffer gegaan en heeft zij poep in het portiek van haar woning achtergelaten. Deze gedragingen hebben plaatsgevonden in een periode waarin het slachtoffer recent alleenstaande moeder was geworden en bezig was haar bedrijf op te bouwen. De impact op haar privéleven, professionele reputatie en psychische gezondheid was aanzienlijk. Het slachtoffer heeft psychologische hulp gezocht en verklaart tot op heden last te hebben van angstgevoelens.

Het hof heeft een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden opgelegd met een proeftijd van drie jaar, en een onvoorwaardelijke taakstraf van 150 uur (subsidiair 75 dagen hechtenis). Daarnaast is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd van €12.487,43, en zijn drie in beslag genomen voorwerpen verbeurd verklaard.

Middel

In cassatie klaagt de verdediging over de motivering van de schadevergoedingsmaatregel. Meer in het bijzonder wordt betoogd dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de immateriële schade en de kosten van psychische hulp van het slachtoffer. Tevens is aangevoerd dat de schadeposten voor het eerst in hoger beroep zijn opgevoerd, zodat het hof de vordering van de benadeelde partij (mede) om die reden niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Tot slot wordt geklaagd dat de schadevergoedingsmaatregel als strafrechtelijke sanctie oneigenlijk zou zijn gebruikt ter compensatie van een onjuiste civielrechtelijke behandeling.

Beoordeling hoge raad

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en overweegt daartoe als volgt.

Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel stelt de Hoge Raad vast dat het hof heeft geoordeeld dat de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor zowel immateriële schade als kosten voor psychische hulp. Dat oordeel is gebaseerd op een uitvoerige analyse van het feitencomplex, de duur van het belagingstraject, de ernst van de normschending en de blijvende psychische gevolgen voor het slachtoffer.

De Hoge Raad herhaalt zijn eerdere rechtspraak (onder meer HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793) dat immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt indien sprake is van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’, zoals bedoeld in artikel 6:106 lid 1 onder b BW. Deze vorm van schadevergoeding kan worden aangenomen als de aard en ernst van de gedragingen en hun gevolgen dermate ernstig zijn, dat de psychische schade evident is, ook zonder dat een medische diagnose is overgelegd.

De Hoge Raad acht de motivering van het hof op dit punt niet onbegrijpelijk of in strijd met het recht. Het hof heeft immers vastgesteld dat het slachtoffer langdurig is gestalkt, op sociale media is blootgesteld aan systematische smaad en laster, in haar privéomgeving is geconfronteerd met fysieke bedreiging (door het achterlaten van poep) en in ernstige mate in haar eer, goede naam en persoonlijke levenssfeer is aangetast. Op grond van deze omstandigheden heeft het hof terecht aangenomen dat de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de immateriële schade.

Ten aanzien van de kosten voor psychische hulp oordeelt de Hoge Raad dat deze vallen onder de reikwijdte van artikel 6:95 BW jo. 6:96 BW, aangezien het hier gaat om vermogensschade die rechtstreeks verband houdt met het strafbare feit. De Hoge Raad onderschrijft het oordeel van het hof dat deze kosten – die door middel van onderbouwende stukken zijn gestaafd – ook als zodanig voor vergoeding in aanmerking komen.

Voorts acht de Hoge Raad het juist dat het hof de schadevergoedingsmaatregel op grond van artikel 36f Sr zelfstandig heeft opgelegd, los van de ontvankelijkheid van de vordering in de voegingsprocedure. De Hoge Raad bevestigt dat de rechter bevoegd is deze maatregel ambtshalve op te leggen, ook indien (delen van) de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk zijn. Dit is in overeenstemming met het karakter van de maatregel als strafrechtelijke sanctie. Het bedrag van de schadevergoedingsmaatregel behoeft dan ook niet gelijk te zijn aan het toegewezen deel van de civielrechtelijke vordering.

De Hoge Raad verwerpt ook de overige klachten zonder nadere motivering, met toepassing van artikel 81 lid 1 RO.

Ambtshalve beoordeling

De Hoge Raad stelt ambtshalve vast dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden. Tussen het instellen van het beroep in cassatie (21 juni 2021) en de uitspraak van de Hoge Raad (3 februari 2026) zijn meer dan twee jaren verstreken. Deze overschrijding leidt tot vermindering van de opgelegde taakstraf van 150 uur naar 143 uur (subsidiair 71 dagen hechtenis).

Beslissing

De Hoge Raad:

  • vernietigt de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 30 november 2023, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;

  • vermindert de taakstraf tot 143 uur, subsidiair 71 dagen hechtenis;

  • verwerpt het beroep voor het overige.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^