Miljoenenbeslag Surinaamse geldzending definitief in stand na derde cassatie

Hoge Raad 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:49

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep tegen de beschikking van het gerechtshof Den Haag waarbij het beslag op een geldzending van 19,5 miljoen euro uit Suriname in stand blijft. De FIOD neemt het bedrag in 2018 op Schiphol in beslag wegens verdenking van witwassen; het geld is eigendom van drie Surinaamse handelsbanken en de Centrale Bank van Suriname treedt op als shipper. Het hof verklaart het beklag ongegrond en oordeelt dat de centrale bank geen immuniteit geniet, omdat het geld niet haar eigendom is maar dat van de handelsbanken. Ook acht het hof het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter later tot verbeurdverklaring zal overgaan.
In cassatie wordt onder meer geklaagd over het immuniteitsoordeel en de gehanteerde maatstaf bij de beoordeling van het beslag. De Hoge Raad past artikel 81 lid 1 RO toe en laat het oordeel van het hof zonder nadere motivering in stand, waarmee de beklagprocedure definitief is beëindigd.

Achtergrond

Deze beschikking vormt het sluitstuk van een langdurige en juridisch complexe beslagprocedure die haar oorsprong vindt in 2018. Op 17 april 2018 neemt de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst een geldzending van bijna 19,5 miljoen euro in contanten in beslag op luchthaven Schiphol. De zending is enkele dagen eerder per vliegtuig uit Suriname aangekomen. Het openbaar ministerie legt het beslag op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering in het kader van een verdenking van witwassen als bedoeld in de artikelen 420bis en volgende van het Wetboek van Strafrecht.

Het geld is eigendom van drie Surinaamse handelsbanken. De Centrale Bank van Suriname fungeert als shipper van het geld. De centrale bank heeft daarmee een faciliterende rol bij het transport van de contanten, maar is geen eigenaar van het geldbedrag. De handelsbanken en de Centrale Bank van Suriname dienen gezamenlijk een klaagschrift in op grond van artikel 552a Sv en verzoeken om opheffing van het beslag.

De beklagprocedure kent een lange voorgeschiedenis. De Hoge Raad vernietigt eerder tweemaal een rechterlijke beslissing waarbij het beslag werd opgeheven. Uiteindelijk verklaart het gerechtshof Den Haag bij beschikking van 6 augustus 2024 het beklag ongegrond. Het hof oordeelt dat het beslag in stand blijft.

Het hof overweegt onder meer dat de Centrale Bank van Suriname geen aanspraak kan maken op immuniteit. Volgens het hof is het in beslag genomen geld geen property van de centrale bank, maar eigendom van de drie handelsbanken. De rol van de centrale bank bij het transport is uitsluitend faciliterend van aard. Verder komt het hof, anders dan door de handelsbanken betoogd, niet tot het oordeel dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later tot verbeurdverklaring van het geld zal overgaan.

Tegen deze beschikking stellen de Centrale Bank van Suriname en de drie handelsbanken beroep in cassatie in.

Middel 1: beroep op immuniteit van de centrale bank

In cassatie klagen de Centrale Bank van Suriname en de handelsbanken onder meer over het oordeel van het hof dat de centrale bank geen immuniteit geniet. Volgens hen miskent het hof dat aan een centrale bank op grond van internationaal gewoonterecht immuniteit toekomt ten aanzien van haar goederen die worden aangewend in het kader van de uitoefening van publieke taken, zoals monetair beleid en valutabeleid.

Het hof verwerpt dit verweer, omdat het in beslag genomen geld niet toebehoort aan de centrale bank maar aan de drie handelsbanken. De centrale bank vervult bij het transport slechts een faciliterende rol. Daarmee ontbreekt volgens het hof de grondslag voor een geslaagd beroep op immuniteit.

Middel 2: gehanteerde maatstaf bij de beoordeling van het beslag

Daarnaast klagen de cassatiemiddelen over de maatstaf die het hof toepast bij de beoordeling van het beklag. De handelsbanken voeren aan dat het hof een te streng criterium hanteert door te toetsen of het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later tot verbeurdverklaring zal overgaan. Volgens hen had het hof een minder strenge maatstaf moeten toepassen.

Het hof volgt deze redenering niet en ziet geen aanleiding om het beslag op te heffen. Het acht het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter in een latere fase tot verbeurdverklaring van het geld zal beslissen.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad beoordeelt de aangevoerde cassatieklachten, waaronder de klachten over het immuniteitsoordeel en de gehanteerde maatstaf. De advocaat-generaal concludeert op 2 december 2025 tot verwerping van het beroep.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep met toepassing van artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie. Dat betekent dat de klachten niet leiden tot vernietiging van de beschikking van het hof en dat de Hoge Raad geen inhoudelijke motivering geeft, omdat beantwoording van de aangevoerde klachten niet nodig is in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

Daarmee blijft de beslissing van het gerechtshof Den Haag van 6 augustus 2024 in stand en blijft het beslag op de geldzending van bijna 19,5 miljoen euro gehandhaafd.

Met deze uitspraak komt, na drie cassatieprocedures en bijna acht jaar na de inbeslagneming in 2018, een einde aan deze beklagprocedure. Het oordeel van het hof dat de Centrale Bank van Suriname geen immuniteit toekomt ten aanzien van deze geldzending en dat het beslag kan worden voortgezet, houdt definitief stand in cassatie.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^