Weigering nultarief wegens btw-fraude niet automatisch grond voor vergrijpboete
/Hoge Raad 20 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:279
De Hoge Raad oordeelt dat de inspecteur het nultarief voor intracommunautaire leveringen terecht weigert wegens betrokkenheid bij btw-fraude, maar dat dit niet automatisch een vergrijpboete rechtvaardigt. Voor een boete op grond van artikel 67f AWR is vereist dat het opzet of de grove schuld is gericht op het niet betalen van in Nederland verschuldigde omzetbelasting. Opzet dat uitsluitend ziet op het ontgaan van btw in een andere lidstaat is daarvoor onvoldoende. In dit geval is de naheffingsaanslag uitsluitend gebaseerd op het achteraf weigeren van het nultarief wegens fraude. Artikel 67f AWR biedt daarvoor geen grondslag, gelet op het legaliteitsbeginsel. De Hoge Raad vernietigt daarom de boetebeschikkingen en kent een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Achtergrond
Belanghebbende, X B.V., drijft een onderneming die vanuit Nederland onder meer handelt in tweedehands personenauto’s. In de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2016 levert zij diverse voertuigen aan afnemers die zijn gevestigd in Roemenië, Hongarije, Slowakije en Kroatië. De leveringen vinden plaats onder uitreiking van facturen op naam van deze buitenlandse afnemers. De auto’s worden opgehaald bij de bedrijfsruimte van belanghebbende, hetzij door een werknemer van de afnemer, hetzij door een transportbedrijf in opdracht van de afnemer.
In haar administratie bewaart belanghebbende kopieën van afhaalverklaringen en CMR-vrachtbrieven. Daarop staat als plaats van bestemming telkens het vestigingsadres van de afnemer in de betreffende lidstaat vermeld. Belanghebbende brengt ter zake van deze leveringen geen omzetbelasting in rekening en voldoet daarover ook geen omzetbelasting op aangifte. Zij past het nultarief toe voor intracommunautaire leveringen als bedoeld in artikel 9, lid 2, aanhef en letter b, Wet op de omzetbelasting 1968 in samenhang met Tabel II, post a6, en vermeldt de leveringen in de opgaaf intracommunautaire prestaties als bedoeld in artikel 37a Wet op de omzetbelasting 1968.
De inspecteur stelt na een boekenonderzoek dat de auto’s feitelijk niet naar de genoemde lidstaten zijn vervoerd, maar naar Berlijn in Duitsland. Volgens de inspecteur weet belanghebbende dat en manipuleert zij bewust de vervoersdocumenten door onjuiste bestemmingen te vermelden of te laten staan. Tevens staat vast dat in de vermeende lidstaten van aankomst geen intracommunautaire verwervingen zijn aangegeven. De inspecteur weigert daarom het nultarief wegens betrokkenheid bij btw-fraude en legt drie naheffingsaanslagen omzetbelasting op over de genoemde tijdvakken.
Gelijktijdig legt de inspecteur vergrijpboetes op grond van artikel 67f, lid 1, AWR. Hij stelt primair dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat omzetbelasting die op aangifte moet worden voldaan niet is betaald. Subsidiair beroept hij zich op grove schuld.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat belanghebbende opzettelijk bewijs manipuleert en zich schuldig maakt aan fraude. Het hof acht zowel de weigering van het nultarief als de opgelegde boetes terecht. Volgens het hof toont het handelen van belanghebbende overtuigend aan dat de onjuiste aangiften zijn te wijten aan opzet.
Middel
In cassatie richt middel 7 zich tegen het oordeel van het hof over de boetes. Belanghebbende betoogt dat voor toepassing van artikel 67f AWR vereist is dat het opzet is gericht op het niet betalen van omzetbelasting in Nederland. Uit het proces-verbaal van de hofzitting blijkt dat de inspecteur uitdrukkelijk verklaart dat het opzet van belanghebbende niet is gericht op het ontgaan van omzetbelasting in Nederland, maar op het ontgaan van btw in een andere lidstaat. Volgens belanghebbende miskent het hof daarmee het vereiste dat sprake moet zijn van opzet op het niet betalen van in Nederland verschuldigde belasting.
Beoordeling Hoge Raad
De Hoge Raad stelt voorop dat artikel 67f, lid 1, AWR ziet op het opzettelijk of grofschuldig niet betalen van belasting die op aangifte moet worden voldaan. Op grond van artikel 1 AWR heeft deze bepaling uitsluitend betrekking op rijksbelastingen die in Nederland worden geheven, waaronder de omzetbelasting.
Voor opzet in de zin van artikel 67f AWR is vereist dat het handelen of nalaten is gericht op het niet of niet volledig betalen van de in Nederland op aangifte verschuldigde belasting. Dat betekent dat moet vaststaan dat de belastingplichtige wetenschap heeft dat in Nederland te weinig omzetbelasting zal worden betaald, dan wel de aanmerkelijke kans daarop bewust aanvaardt.
De Hoge Raad overweegt dat de omstandigheid dat het opzet is gericht op het ontgaan van btw in een andere lidstaat en daarmee het functioneren van het gemeenschappelijk btw-stelsel in gevaar wordt gebracht, niet zonder meer meebrengt dat ook sprake is van opzet op het niet betalen van omzetbelasting in Nederland. In een geval als het onderhavige, waarin aan de materiële voorwaarden voor toepassing van het nultarief is voldaan, is de verschuldigdheid van Nederlandse omzetbelasting uitsluitend gebaseerd op het – achteraf – wegens fraude of misbruik weigeren van dat nultarief.
De inspecteur heeft zowel bij de rechtbank als bij het hof verklaard dat belanghebbende niet bewust ervoor heeft gekozen om in Nederland te weinig omzetbelasting te betalen, maar dat het opzet was gericht op het ontgaan van btw in een andere lidstaat. Dat verwijt valt buiten het bereik van artikel 67f AWR, nu deze bepaling geen betrekking heeft op belastingen die in een andere lidstaat zijn verschuldigd.
Vervolgens gaat de Hoge Raad in op het subsidiaire standpunt inzake grove schuld. Ook indien dit standpunt wordt opgevat als betrekking hebbend op het niet betalen van omzetbelasting in Nederland, kan het geen stand houden. De Hoge Raad overweegt dat de naheffingsaanslag in een geval als dit een richtlijnconforme uitleg van artikel 20 AWR vergt om het nultarief wegens fraude te weigeren. Voor een sanctiebepaling als artikel 67f AWR geldt echter het legaliteitsbeginsel: deze moet voldoende duidelijk, bepaald en kenbaar zijn. Een ruime uitleg waarbij ook gevallen worden bestreken waarin de belasting pas door weigering van het nultarief achteraf verschuldigd wordt, is niet toegestaan.
De Hoge Raad oordeelt daarom dat artikel 67f AWR niet ziet op het niet betalen van omzetbelasting in gevallen waarin de naheffingsaanslag uitsluitend berust op het wegens fraude of misbruik ontnemen van het recht op toepassing van het nultarief. In zoverre komt de Hoge Raad terug van eerdere rechtspraak waarin wel werd aangenomen dat in dergelijke gevallen een vergrijpboete mogelijk is.
De slotsom luidt dat de opgelegde boetebeschikkingen geen stand houden. De Hoge Raad vernietigt de uitspraken van het hof, de rechtbank en de inspecteur, maar uitsluitend voor zover deze betrekking hebben op de boetes. De naheffingsaanslagen blijven in stand.
Ten slotte oordeelt de Hoge Raad dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden. Voor de naheffingsaanslagen en rentebeschikkingen kent hij een immateriële schadevergoeding van 1.500 euro toe. Omdat de boetes worden vernietigd, wordt voor de overschrijding van de redelijke termijn ten aanzien van de drie boetes afzonderlijk een vergoeding toegekend, hetgeen leidt tot een totale schadevergoeding van 6.000 euro.
Met dit arrest onderstreept de Hoge Raad dat de weigering van het nultarief wegens betrokkenheid bij btw-fraude niet automatisch meebrengt dat ook een vergrijpboete kan worden opgelegd. Voor toepassing van artikel 67f AWR is vereist dat het opzet of de grove schuld is gericht op het niet betalen van in Nederland verschuldigde omzetbelasting. Een opzet die uitsluitend ziet op het ontgaan van btw in een andere lidstaat is daarvoor onvoldoende.
Lees hier de volledige uitspraak.
