Aanvangsmoment redelijke termijn in ontnemingszaak: voornemen van de officier van justitie beslissend

Hoge Raad 3 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:167

In deze ontnemingszaak wegens wederrechtelijk verkregen voordeel uit gewoontewitwassen stelt het hof het voordeel vast op grond van artikel 36e lid 3 Sr met toepassing van de eenvoudige kasopstelling en legt een betalingsverplichting van 149.387,60 euro op. In cassatie klaagt de betrokkene dat het hof een onjuist aanvangsmoment hanteert voor de redelijke termijn van artikel 6 lid 1 EVRM.
Volgens het middel moet die termijn aanvangen bij de start van het strafrechtelijk financieel onderzoek ex artikel 126 Sv en niet bij het kenbaar gemaakte voornemen van de officier van justitie ex artikel 311 lid 1 Sv. De Hoge Raad herhaalt zijn rechtspraak dat het aan de feitenrechter is het aanvangsmoment vast te stellen en dat dit oordeel in cassatie slechts beperkt toetsbaar is. Het oordeel van het hof is niet onjuist en voldoende gemotiveerd, zodat het cassatieberoep wordt verworpen.

Achtergrond

In deze zaak staat een ontnemingsprocedure centraal die voortvloeit uit een eerdere veroordeling wegens gewoontewitwassen. Het betreft een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e lid 3 van het Wetboek van Strafrecht. Het gerechtshof Amsterdam stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast met toepassing van de methode van de eenvoudige kasopstelling. Deze methode wordt veelvuldig gehanteerd in zaken waarin sprake is van vermogensgroei die niet kan worden verklaard uit legale inkomstenbronnen.

De betrokkene is geboren in 1980 en is in de strafzaak veroordeeld wegens gewoontewitwassen. Gewoontewitwassen is strafbaar gesteld in artikel 420ter Sr en veronderstelt dat de verdachte zich meermalen schuldig maakt aan witwassen en daarvan een gewoonte maakt. In aansluiting op die veroordeling dient het openbaar ministerie een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in.

Het hof stelt het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vast op een bedrag van 149.387,60 euro en legt hem de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen. Bij de beoordeling van de redelijke termijn in de ontnemingsprocedure overweegt het hof dat als uitgangspunt geldt dat per instantie een termijn van twee jaren als redelijk wordt aangemerkt. Het hof neemt als aanvangsmoment van de redelijke termijn in eerste aanleg het moment waarop de officier van justitie op 18 juli 2018 zijn voornemen kenbaar maakt om een ontnemingsvordering aanhangig te maken als bedoeld in artikel 311 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank wijst op 19 maart 2019 vonnis, zodat volgens het hof in eerste aanleg geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. In hoger beroep wordt wel een beperkte overschrijding vastgesteld van ruim twee maanden. Die overschrijding is echter reeds verdisconteerd in de strafzaak door middel van strafvermindering. Het hof volstaat daarom in de ontnemingszaak met de constatering dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden en ziet geen aanleiding de betalingsverplichting verder te matigen.

Namens de betrokkene wordt beroep in cassatie ingesteld. De kern van het geschil in cassatie betreft het aanvangsmoment van de redelijke termijn in de ontnemingsprocedure.

Middel

Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het hof een onjuist aanvangsmoment hanteert voor de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Volgens de verdediging moet de redelijke termijn reeds aanvangen op 10 oktober 2016, het moment waarop het strafrechtelijk financieel onderzoek als bedoeld in artikel 126 Sv een aanvang neemt. De verdediging voert aan dat, uitgaande van dat eerdere moment, sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en dat deze overschrijding dient te leiden tot matiging van de betalingsverplichting.

In hoger beroep wijst de verdediging bovendien op de totale duur van de procedure, die op dat moment bijna zeven en een half jaar bedraagt. Onder verwijzing naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens stelt de verdediging dat als vuistregel ongeveer één jaar per instantie geldt en dat in dit geval sprake is van een buitensporig lange procedure. De verdediging verzoekt het hof daarom om bij het bepalen van de betalingsverplichting rekening te houden met de gestelde schending van de redelijke termijn, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

De klacht in cassatie richt zich specifiek tegen het oordeel van het hof dat niet het moment waarop het strafrechtelijk financieel onderzoek aanvangt bepalend is, maar het moment waarop de officier van justitie zijn voornemen tot het instellen van een ontnemingsvordering kenbaar maakt.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad stelt voorop dat hij in zijn arrest van 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, algemene uitgangspunten heeft geformuleerd met betrekking tot de redelijke termijn in ontnemingszaken. In dat arrest is overwogen dat ook in ontnemingsprocedures het recht bestaat op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM. Die termijn vangt aan op het moment waarop vanwege de Staat jegens de betrokkene een handeling wordt verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een ontnemingsvordering zal worden ingesteld.

De Hoge Raad benadrukt dat het aan de feitenrechter is om, gelet op de omstandigheden van het concrete geval, het aanvangsmoment van de redelijke termijn vast te stellen. In het arrest uit 2008 noemt de Hoge Raad verschillende mogelijke aanvangsmomenten. In het algemeen kan worden gedacht aan het moment waarop de officier van justitie uiterlijk bij zijn requisitoir in eerste aanleg zijn voornemen kenbaar maakt een ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken als bedoeld in artikel 311 lid 1 Sv, het moment waarop de betrokkene ervan op de hoogte raakt dat tegen hem een strafrechtelijk financieel onderzoek als bedoeld in artikel 126 Sv wordt ingesteld, of het moment waarop de ontnemingsvordering wordt betekend als bedoeld in artikel 511b Sv. Ook andere momenten zijn denkbaar, bijvoorbeeld wanneer beslag wordt gelegd met het oog op voordeelsontneming op grond van artikel 94a Sv.

De Hoge Raad herhaalt dat het oordeel van de feitenrechter over de redelijke termijn in cassatie slechts beperkt kan worden getoetst. Slechts indien dat oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of onbegrijpelijk is gemotiveerd, kan ingrijpen volgen. Omdat dit oordeel sterk verweven is met waarderingen van feitelijke aard, is terughoudendheid geboden.

Tegen deze achtergrond oordeelt de Hoge Raad dat het hof geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting door als aanvangsmoment het moment te nemen waarop de officier van justitie het voornemen tot het instellen van een ontnemingsvordering kenbaar maakt. Dat moment wordt in de rechtspraak uitdrukkelijk genoemd als een mogelijk en in het algemeen passend aanvangsmoment.

Voorts acht de Hoge Raad het oordeel van het hof toereikend gemotiveerd. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat de verdediging niet heeft onderbouwd dat de betrokkene reeds bij de aanvang van het strafrechtelijk financieel onderzoek ervan op de hoogte raakt dat een dergelijk onderzoek tegen hem wordt ingesteld. Zonder nadere onderbouwing kan niet worden aangenomen dat de betrokkene op dat eerdere moment reeds in redelijkheid de verwachting heeft dat een ontnemingsvordering zal volgen.

Dat de rechtbank mogelijk van een ander aanvangsmoment uitgaat, maakt dit niet anders. Het hof is als feitenrechter zelfstandig bevoegd het aanvangsmoment vast te stellen, mits dit binnen de kaders van de rechtspraak blijft en de beslissing voldoende wordt gemotiveerd.

De overige klachten in het cassatiemiddel leiden evenmin tot cassatie. De Hoge Raad past artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie toe en volstaat met de constatering dat deze klachten geen beantwoording behoeven in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad verwerpt het beroep. Daarmee blijft de opgelegde betalingsverplichting van 149.387,60 euro in stand en bevestigt de Hoge Raad nogmaals dat bij de beoordeling van de redelijke termijn in ontnemingszaken ruimte bestaat voor verschillende aanvangsmomenten, waarbij het oordeel van de feitenrechter centraal staat.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^