Illegale verhandeling van D-Carvone als gewasbeschermingsmiddel niet uitgezonderd van toelatingsplicht

Hoge Raad 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:223

Dit betreft een veroordeling wegens het opzettelijk en meermalen op de markt brengen van het gewasbeschermingsmiddel D-Carvone zonder toelating als bedoeld in artikel 28 lid 1 Verordening (EG) 1107/2009 en artikel 20 lid 1 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, alsmede wegens valsheid in geschrift. De verdachte verkoopt het middel als kiemremmingsmiddel voor pootaardappelen terwijl geen toelating door het Ctgb is verleend en krijgt een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden en een taakstraf van 100 uren opgelegd. In cassatie voert hij aan dat D-Carvone onder Richtlijn 88/388/EEG inzake aroma’s valt en daarom is uitgezonderd van de toelatingsplicht op grond van de Regeling uitzondering bestrijdingsmiddelen oud. De Hoge Raad oordeelt dat deze uitzondering alleen geldt wanneer de stof als aroma voor levensmiddelen wordt gebruikt en niet wanneer zij als gewasbeschermingsmiddel wordt toegepast. Omdat het middel in deze zaak als gewasbeschermingsmiddel wordt verhandeld, is de Europese toelatingsregeling onverkort van toepassing en faalt het cassatiemiddel. Wegens overschrijding van de redelijke termijn vermindert de Hoge Raad de taakstraf tot 90 uren en verwerpt hij het beroep voor het overige, lees hier de volledige uitspraak.

Achtergrond

De verdachte, geboren in 1977, staat terecht in een economische strafzaak naar aanleiding van het op de markt brengen van het middel D-Carvone. Het gerechtshof Amsterdam veroordeelt hem bij arrest van 19 april 2023 wegens overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 20 lid 1 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, opzettelijk begaan en meermalen gepleegd, alsmede wegens valsheid in geschrift, eveneens meermalen gepleegd.

De bewezenverklaring houdt in dat de verdachte in de periode van 1 oktober 2018 tot en met 11 februari 2019 in Nederland opzettelijk handelt in strijd met artikel 28 lid 1 van Verordening (EG) 1107/2009. Hij brengt D-Carvone op de markt als gewasbeschermingsmiddel, terwijl dit middel in Nederland niet overeenkomstig die verordening is toegelaten. Voor het middel is geen toelating verleend door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Het middel wordt verkocht en gebruikt als kiemremmingsmiddel bij pootaardappelen en kwalificeert daarmee als gewasbeschermingsmiddel in de zin van de toepasselijke Europese regelgeving.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis.

In cassatie richt het eerste middel zich tegen de verwerping van het verweer dat D-Carvone zou zijn uitgezonderd van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden op grond van artikel 1 lid 1 aanhef en onder III.f van de Regeling uitzondering bestrijdingsmiddelen oud. Volgens de verdediging valt D-Carvone onder de werkingssfeer van Richtlijn 88/388/EEG betreffende aroma’s voor gebruik in levensmiddelen en zou het middel daarom buiten het toepassingsbereik van de nationale en Europese toelatingsregels voor gewasbeschermingsmiddelen vallen.

Middel

Het eerste cassatiemiddel klaagt dat het hof ten onrechte oordeelt dat D-Carvone niet onder de uitzondering van artikel 1 lid 1 aanhef en onder III.f van de Regeling uitzondering bestrijdingsmiddelen oud valt. De kern van het betoog is dat D-Carvone onder de werkingssfeer van Richtlijn 88/388/EEG valt, ook wanneer het middel wordt toegepast als gewasbeschermingsmiddel. Volgens de verdediging brengt dit mee dat het middel is uitgezonderd van de toelatingsplicht op grond van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden.

Het hof overweegt dat D-Carvone door de verdachte wordt verkocht en toegepast als gewasbeschermingsmiddel. In die hoedanigheid valt het middel onder Verordening (EG) 1107/2009 en de Biocidenverordening (EU) 528/2012. Het hof erkent dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in 2014 heeft geoordeeld dat de stof d-carvon onder de werkingssfeer van Richtlijn 88/388/EEG valt, maar volgt dat oordeel slechts voor zover de stof als aroma of additief voor levensmiddelen wordt toegepast. Wanneer de stof wordt gebruikt als gewasbeschermingsmiddel, is de richtlijn betreffende aroma’s naar haar aard niet van toepassing. De uitzondering van artikel 2 lid 1 onder c van Verordening (EG) 1107/2009 mist dan toepassing, evenals de door de verdediging ingeroepen nationale uitzondering.

Het tweede cassatiemiddel bevat overige klachten tegen het arrest van het hof.

Beoordeling Hoge Raad

Eerste middel

De Hoge Raad verwerpt het eerste middel. Hij stelt voorop dat het middel berust op de opvatting dat D-Carvone onder de werkingssfeer van Richtlijn 88/388/EEG valt, ook wanneer het als gewasbeschermingsmiddel wordt toegepast, en dat het in dat geval tevens onder het toepassingsbereik van artikel 1 lid 1 aanhef en onder III.f van de Regeling uitzondering bestrijdingsmiddelen oud valt.

Deze opvatting is volgens de Hoge Raad onjuist. Onder verwijzing naar de conclusie van de advocaat-generaal overweegt de Hoge Raad dat onderdeel III van de zogenoemde Rub-lijst in 2004 aan de regeling is toegevoegd ter implementatie van artikel 1 lid 2 van de Biocidenrichtlijn. Uit die bepaling volgt dat de biocidenrichtlijn van toepassing is op biociden zoals gedefinieerd in artikel 2 lid 1 onder a van die richtlijn, maar niet op producten die zijn gedefinieerd in of vallen onder de werkingssfeer van Richtlijn 88/388/EEG voor de doeleinden van die richtlijn.

Daaruit volgt dat de uitzondering slechts geldt wanneer een middel onder de werkingssfeer van Richtlijn 88/388/EEG valt en wordt gebruikt voor de doeleinden van die richtlijn, te weten als aroma in levensmiddelen. Indien een stof weliswaar als aroma kan worden aangemerkt, maar feitelijk wordt verhandeld en toegepast als gewasbeschermingsmiddel, valt zij niet onder de uitzondering. In dat geval is de regelgeving inzake gewasbeschermingsmiddelen onverkort van toepassing.

De Hoge Raad bevestigt daarmee dat de kwalificatie en het toepassingsbereik van Europese regelgeving afhankelijk zijn van het concrete gebruik van het product. Het enkele feit dat een stof ook onder een andere richtlijn kan vallen, is onvoldoende om haar aan het regime van Verordening (EG) 1107/2009 te onttrekken wanneer zij als gewasbeschermingsmiddel wordt ingezet.

Het eerste middel faalt.

Tweede middel

Ten aanzien van het tweede middel past de Hoge Raad artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie toe. De klachten kunnen niet leiden tot vernietiging van de bestreden uitspraak en nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. Een nadere motivering blijft daarom achterwege.

Ambtshalve beoordeling

De Hoge Raad constateert ambtshalve dat meer dan twee jaren zijn verstreken tussen het instellen van het cassatieberoep en de uitspraak in cassatie. Daarmee is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM overschreden.

Deze overschrijding leidt tot vermindering van de opgelegde taakstraf. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof uitsluitend voor zover het de omvang van de taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis betreft. De taakstraf wordt verminderd van 100 uren naar 90 uren, subsidiair van 50 dagen naar 45 dagen hechtenis. Voor het overige wordt het beroep verworpen.

Met dit arrest bevestigt de Hoge Raad dat uitzonderingen op de toelatingsplicht voor gewasbeschermingsmiddelen restrictief moeten worden uitgelegd en nauw aansluiten bij het doel en de reikwijdte van de relevante Europese regelgeving. Het gebruiksdoel van een product is beslissend voor de vraag welk normatief kader van toepassing is.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^