Veroordeling voor feitelijk leidinggeven aan het niet doen van aangiften vennootschapsbelasting en het onjuist doen van aangiften omzetbelasting; gedeeltelijke vrijspraak

Rechtbank Amsterdam 3 september 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:8778

De rechtbank Amsterdam veroordeelt een bestuurder tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 10.000 wegens feitelijk leidinggeven aan belastingfraude door zijn besloten vennootschap. De vennootschap doet over de jaren 2017, 2018 en 2019 geen aangifte vennootschapsbelasting en doet over vier kwartalen in 2018 en 2019 onjuiste aangiften omzetbelasting door een te hoog bedrag aan aftrekbare voorbelasting op te geven. Voor de aangifte vennootschapsbelasting over 2020 volgt vrijspraak, omdat de termijn van de aanmaning pas na het einde van de tenlastegelegde periode verstrijkt. Het verweer dat het niet doen van aangifte over 2018 wegens een negatief fiscaal resultaat niet strekt tot een te lage heffing, verwerpt de rechtbank onder verwijzing naar het objectieve karakter van het strekkingsvereiste. Het belastingnadeel bedraagt bijna € 30.000 en is inmiddels door de verdachte voldaan. De rechtbank wijkt af van de gevorderde taakstraf van 80 uren en kiest voor een geldboete, mede gelet op het herstel van het nadeel en het grote tijdsverloop.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Veroordeling voor feitelijk leidinggeven aan het niet doen van aangiften omzetbelasting en vrijspraak van bedrieglijke bankbreuk wegens ontbrekend opzet op benadeling van schuldeisers

Gerechtshof Amsterdam 23 juli 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:2188

Het gerechtshof Amsterdam veroordeelt een verdachte voor het medeplegen van feitelijk leidinggeven aan het opzettelijk niet doen van aangiften omzetbelasting door een besloten vennootschap over vijf kwartalen in 2011 en 2012, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven. Volgens de Belastingdienst leidt dit tot een belastingnadeel van in totaal € 680.612, waarop het hof geen voorbelasting in mindering brengt omdat de administratie onvolledig is. Het hof spreekt de verdachte vrij van het feitelijk leidinggeven aan bedrieglijke bankbreuk, omdat niet bewezen is dat het niet voeren van de administratie plaatsvond ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers. Ook verwerpt het hof het beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wegens strijd met het Protocol AAFD. Wegens overschrijding van de redelijke termijn legt het hof een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden op met een proeftijd van drie jaren. Daarnaast legt het hof een taakstraf van 240 uren op, subsidiair 120 dagen hechtenis.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit valsheid in geschrift met vervalste testamenten en verzekeringsstukken; vorderingen benadeelde partijen niet in mindering gebracht

Gerechtshof Amsterdam 27 augustus 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:2440

De rechtbank Noord-Holland legt op 21 maart 2023 een betalingsverplichting van € 305.312,09 op na een veroordeling wegens valsheid in geschrift en gewoontewitwassen. In hoger beroep schat het gerechtshof Amsterdam het wederrechtelijk verkregen voordeel op € 405.871,29, opgebouwd uit € 343.683,58 die de betrokkene met een vervalst testament en een verklaring van erfrecht van een bank in Luxemburg ontvangt en € 62.187,71 die twee verzekeringsmaatschappijen uitkeren op valse facturen, offertes en schadetaxaties. Het hof brengt de aan ASR en Nationale Nederlanden toegewezen schadevergoedingen niet in mindering, omdat het arrest niet onherroepelijk is en de vorderingen niet zijn voldaan. Het draagkrachtverweer wordt verworpen, omdat niet aanstonds duidelijk is dat de betrokkene nu en in de toekomst geen draagkracht heeft. De overschrijding van de redelijke termijn is verdisconteerd in de straf in de gelijktijdig behandelde strafzaak, zodat het hof in de ontnemingszaak volstaat met de constatering daarvan. Het hof stelt de betalingsverplichting vast op € 405.871,29.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Matiging van een bestuurlijke boete van de AFM voor overkreditering bij telecomkrediet en verwerping van het beroep op het nemo tenetur-beginsel

Rechtbank Rotterdam 18 juni 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:10574

De rechtbank Rotterdam oordeelt dat een aanbieder van telecomkrediet artikel 4:34, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht heeft overtreden door in augustus 2022 na een software-update de inkomsten- en lastentoets over te slaan, waardoor 158 consumenten zijn overgekrediteerd. De AFM heeft hiervoor een bestuurlijke boete van 375.000 euro opgelegd. De rechtbank verwerpt de beroepsgronden over het ontbreken van een overtreding, over schending van het nemo tenetur-beginsel en over een te laat gegeven cautie. Ook oordeelt de rechtbank dat de AFM in redelijkheid tot boeteoplegging heeft kunnen overgaan en daarbij de eerdere waarschuwingen mocht betrekken. De rechtbank acht de boete echter te hoog en matigt deze tot 187.500 euro, omdat de overtreding gelet op het korte tijdsverloop, het volledige herstel en het ontbreken van winstbejag niet als ernstig kan worden aangemerkt. Vanwege overschrijding van de redelijke termijn met ruim vijf maanden verlaagt de rechtbank de boete verder tot 185.000 euro en verklaart zij het beroep gegrond voor zover het de boetehoogte betreft.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel bij overschrijding van het fosfaatrecht door een melkveebedrijf, geen uitzondering voor Jersey-koeien

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 juli 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:4923

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelt in een ontnemingszaak tegen een biologisch melkveebedrijf dat Jersey-koeien houdt en dat onherroepelijk is veroordeeld voor het produceren van meer dierlijke mest dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht toestond. De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de economische politierechter en de advocaat-generaal vordert een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 19.334. Dat voordeel bestaat uit de kosten die het bedrijf heeft bespaard door over 2020 geen extra fosfaatrechten te leasen. De verdediging voert aan dat de forfaitaire berekening voor Jersey-koeien een te hoge fosfaatproductie oplevert en dat ontneming onrechtvaardig en disproportioneel is. Het hof stelt vast dat de wetgever sinds de invoering van het fosfaatrechtenstelsel geen uitzondering meer maakt voor biologische melkveehouders of Jersey-koeien en ziet geen bijzondere omstandigheden om daarvan af te wijken. Wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg stelt het hof het geschatte voordeel vast op € 19.334 en de betalingsverplichting aan de Staat op € 17.500.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Hoger beroep niet-ontvankelijk in handhavingszaak over uitbesteding van transactiemonitoring onder artikel 10 Wwft

College van Beroep voor het bedrijfsleven 1 september 2026, ECLI:NL:CBB:2026:408

Een stichting verzoekt De Nederlandsche Bank om handhavend op te treden tegen vijf banken die hun transactiemonitoring hebben uitbesteed aan Transactie Monitoring Nederland, wat volgens de stichting in strijd is met het uitbestedingsverbod van artikel 10 Wwft. DNB neemt het verzoek niet in behandeling en verklaart het bezwaar later niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang, omdat TMNL haar activiteiten heeft gestaakt. De voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam verklaart het beroep ongegrond. In hoger beroep beoordeelt het College ambtshalve of de stichting nog belang heeft bij een uitspraak. Omdat de uitbesteding waartegen het handhavingsverzoek was gericht al is beëindigd, kan de stichting niet meer bereiken wat zij beoogde en verklaart het College het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak van feitelijk leidinggeven aan niet-ambtelijke omkoping en valsheid in geschrift omdat aan de facturen werkelijke werkzaamheden ten grondslag liggen

Rechtbank Rotterdam 24 augustus 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:10768

De rechtbank Rotterdam spreekt een bestuurder vrij van feitelijk leidinggeven aan niet-ambtelijke omkoping en valsheid in geschrift. De verdachte en zijn medeverdachte zetten via hun logistieke onderneming een bestaande constructie voort waarbij opslagkosten aan een opdrachtgever worden gefactureerd en één op één worden doorbetaald aan de privéondernemingen van een leidinggevende van die opdrachtgever. Volgens het Openbaar Ministerie vloeien deze bedragen terug als gift, omdat daar geen werkzaamheden tegenover staan. De rechtbank stelt vast dat de leidinggevende wel degelijk werkzaamheden verricht, dat bemiddeling en het doorfactureren daarvan in de logistieke sector niet ongebruikelijk zijn, en dat niet blijkt dat de verdachte opzet heeft op een gift of dat de leidinggevende in strijd met zijn plicht handelt. Omdat aan de facturen daadwerkelijk diensten ten grondslag liggen, kan evenmin worden vastgesteld dat de facturen vals zijn. Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging, omdat de rechtbank de aangevoerde vormverzuimen verwerpt.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad herhaalt overwegingen over hoofdelijke aansprakelijkheid van art. 36e lid 7 Sr bij gemeenschappelijk voordeel

Hoge Raad 1 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1405

De Hoge Raad vernietigt een ontnemingsuitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin aan de betrokkene een hoofdelijke betalingsverplichting van € 19.258 is opgelegd ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het voordeel is verkregen uit medeplegen van mensenhandel, doordat twee slachtoffers in de prostitutie moesten werken en hun verdiensten moesten afstaan. Het tweede cassatiemiddel klaagt over de oplegging van een hoofdelijke betalingsverplichting aan de betrokkene voor het gehele bedrag. De Hoge Raad herhaalt zijn overwegingen uit HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:878 over de hoofdelijke aansprakelijkheid van artikel 36e lid 7 Sr bij gemeenschappelijk voordeel. Het oordeel van het hof is niet toereikend gemotiveerd, omdat uit de bewijsvoering volgt dat een deel van de opbrengst is overgeboekt naar rekeningen van de medebetrokkene zonder dat het hof heeft vastgesteld dat beiden gezamenlijk over de gehele opbrengst konden beschikken. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak en wijst de zaak terug naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep over het oordeel dat de verklaring van de verdachte over de herkomst van het geldbedrag bij witwassen op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is

Hoge Raad 1 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1406

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van een man die door het gerechtshof Amsterdam is veroordeeld wegens witwassen van een geldbedrag van € 12.950 tot een gevangenisstraf van twee maanden, waarvan één maand voorwaardelijk. In eerste aanleg volgt vrijspraak. Het eerste cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is, en in het bijzonder over het oordeel van het hof dat de verklaring van de verdachte over de herkomst van het geld op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. De Hoge Raad oordeelt dat dit middel om de in de conclusie van de advocaat-generaal genoemde redenen niet tot cassatie leidt. Het tweede middel klaagt met succes over de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase. Gelet op de opgelegde straf volstaat de Hoge Raad met de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden en verbindt daaraan geen ander rechtsgevolg.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Veroordeling van rechtspersoon tot geldboete voor overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet en dood door schuld na dodelijke val van een dak

Rechtbank Oost-Brabant 23 juli 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:5395

De rechtbank veroordeelt een onderneming die zonnepanelen plaatst tot een geldboete van € 50.000 voor overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet en voor dood door schuld, nadat een van haar werknemers op 31 januari 2025 in Rijsbergen van een plat dak van 7,2 meter is gevallen en is overleden. Het slachtoffer plaatst die dag samen met de hoofdmonteur zonnepanelen op dat dak, zonder dat op de locatie enige vorm van valbeveiliging aanwezig of gebruikt is. De rechtbank stelt vast dat de verdachte de risico's van het werken op een plat dak op hoogte niet in een risico-inventarisatie en -evaluatie heeft vastgelegd, de werknemers niet doeltreffend heeft ingelicht en geen toezicht heeft gehouden op het project. In dat nalaten ligt volgens de rechtbank het opzet op de overtreding van artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet besloten, en uit hetzelfde nalaten volgt de aanmerkelijke schuld aan de dood van het slachtoffer. De gedragingen worden aan de verdachte als rechtspersoon toegerekend omdat zij hebben plaatsgevonden in de sfeer van de onderneming. Anders dan de officier van justitie legt de rechtbank geen voorwaardelijk strafdeel op, omdat de verdachte verantwoordelijkheid heeft genomen en maatregelen heeft getroffen om herhaling te voorkomen.

Read More
Print Friendly and PDF ^