Veroordeling voor feitelijk leidinggeven aan het niet doen van aangiften vennootschapsbelasting en het onjuist doen van aangiften omzetbelasting; gedeeltelijke vrijspraak

Rechtbank Amsterdam 3 september 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:8778

De rechtbank Amsterdam veroordeelt een bestuurder tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 10.000 wegens feitelijk leidinggeven aan belastingfraude door zijn besloten vennootschap. De vennootschap doet over de jaren 2017, 2018 en 2019 geen aangifte vennootschapsbelasting en doet over vier kwartalen in 2018 en 2019 onjuiste aangiften omzetbelasting door een te hoog bedrag aan aftrekbare voorbelasting op te geven. Voor de aangifte vennootschapsbelasting over 2020 volgt vrijspraak, omdat de termijn van de aanmaning pas na het einde van de tenlastegelegde periode verstrijkt. Het verweer dat het niet doen van aangifte over 2018 wegens een negatief fiscaal resultaat niet strekt tot een te lage heffing, verwerpt de rechtbank onder verwijzing naar het objectieve karakter van het strekkingsvereiste. Het belastingnadeel bedraagt bijna € 30.000 en is inmiddels door de verdachte voldaan. De rechtbank wijkt af van de gevorderde taakstraf van 80 uren en kiest voor een geldboete, mede gelet op het herstel van het nadeel en het grote tijdsverloop.

Inleiding en context

De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1969, en feitelijk leidinggever van een besloten vennootschap. De zaak betreft een fiscale strafzaak in eerste aanleg, behandeld door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam op de terechtzittingen van 26 juni 2025 en 20 augustus 2026. De rechtbank wijst een verkort vonnis op tegenspraak. Uit het vonnis blijkt dat de verdachte in de tenlastegelegde periode nauwelijks een administratie voert en naar eigen zeggen moeite heeft met het invullen van zijn aangiften.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt verweten dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan het door de vennootschap opzettelijk niet doen van aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 2017 tot en met 2020 (feit 1) en aan het opzettelijk onjuist doen van aangiften omzetbelasting over de kwartalen 1, 3 en 4 van 2018 en kwartaal 3 van 2019 (feit 2), telkens terwijl die feiten ertoe strekken dat te weinig belasting wordt geheven. De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd; het vonnis dateert die wijziging op 25 juni 2025. De feiten zijn strafbaar gesteld in artikel 69 lid 1 en lid 2 AWR, in verbinding met artikel 51 Sr. Centraal staan het bestanddeel niet doen van aangifte, dat een uitnodiging en aanmaning vereist, en het strekkingsvereiste.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vordert een taakstraf van 80 uren, met vervangende hechtenis van 40 dagen voor het geval de taakstraf niet naar behoren wordt verricht.

Standpunt van de verdediging

De raadsman voert drie verweren. Ten aanzien van de vennootschapsbelasting over 2018 bepleit hij vrijspraak omdat over dat jaar sprake is van een negatief fiscaal resultaat, zodat geen vennootschapsbelasting verschuldigd is en het feit niet ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven. Ten aanzien van feit 2 bepleit hij vrijspraak omdat de ingediende aangiften omzetbelasting niet in het dossier zijn gevoegd. Voor de straf stelt hij een deels voorwaardelijke geldboete van € 4.000 voor.

Oordeel gerecht

De rechtbank stelt voorop dat voor het niet doen van aangifte in de zin van artikel 69 lid 1 AWR vereist is dat de vennootschap is uitgenodigd en aangemaand, onder verwijzing naar ECLI:NL:PHR:2026:76, r.o. 6.14. Uit aanvullende stukken blijkt dat de vennootschap voor de aangifte over 2020 op 28 juli 2021 is aangemaand met een termijn die volgens het vonnis loopt tot 11 augustus 2011, wat een kennelijke verschrijving is. Omdat de tenlastegelegde periode eindigt op 1 juni 2021, kan niet worden vastgesteld dat de aangifte over 2020 binnen die periode niet is gedaan. Voor de aangifte over 2019 geldt een aanmaningstermijn tot 20 januari 2021; de rechtbank beperkt het einde van de bewezenverklaarde periode tot die datum.

Het strekkingsverweer over 2018 verwerpt de rechtbank. Een feit strekt ertoe dat te weinig belasting wordt geheven als de te geringe heffing naar redelijke verwachting waarschijnlijk is. Het gaat om een van buitenaf waarneembare eigenschap van de gedraging, die op grond van ervaringsregels kan worden aangenomen (ECLI:NL:HR:2001:ZD2493, r.o. 3.5). Het niet doen van een aangifte vennootschapsbelasting is in het algemeen geschikt om te bereiken dat onvoldoende belasting wordt geheven, zodat het strekkingsvereiste ook voor 2018 is vervuld.

Het verweer over de ontbrekende aangiften omzetbelasting verwerpt de rechtbank eveneens: de aangiften zijn als bijlage gevoegd bij de ambtsedige verklaring omzetbelasting van 17 augustus 2026. Omdat het een verkort vonnis betreft, worden de bewijsmiddelen pas in een aanvulling opgenomen als hoger beroep wordt ingesteld.

Bewezenverklaring

De rechtbank spreekt de verdachte vrij van feit 1 voor zover dit ziet op de aangifte vennootschapsbelasting over 2020. Bewezen is:

  • feit 1: feitelijke leiding geven aan het door de vennootschap opzettelijk niet doen van aangiften vennootschapsbelasting over 2017, 2018 en 2019, in de periode van 1 juni 2018 tot en met 20 januari 2021, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;

  • feit 2: feitelijke leiding geven aan het door de vennootschap opzettelijk onjuist doen van aangiften omzetbelasting over de kwartalen 1, 3 en 4 van 2018 en kwartaal 3 van 2019, in de periode van 1 januari 2018 tot en met 8 november 2019, door een onjuist bedrag aan aftrekbare omzetbelasting op te geven, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank legt een onvoorwaardelijke geldboete van € 10.000 op, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 75 dagen hechtenis. De verdachte heeft zich gedurende meerdere jaren schuldig gemaakt aan belastingfraude en het berekende belastingnadeel bedraagt bijna € 30.000. In zijn voordeel weegt de rechtbank mee dat hij het nadeel inmiddels aan de Belastingdienst heeft voldaan, aan zijn fiscale verplichtingen voldoet, zijn bedrijfsvoering heeft verbeterd en een boekhouder heeft ingeschakeld. Doordat het nadeel ongedaan is gemaakt, ontstaat ruimte voor een geldboete als strafsoort in plaats van de gevorderde taakstraf. Bij de hoogte betrekt de rechtbank het veroorzaakte nadeel en het grote tijdsverloop in de zaak. Bijkomende straffen of maatregelen worden niet opgelegd. De straf is gegrond op de artikelen 23 (oud), 24c, 51 en 57 Sr en artikel 69 AWR.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^