Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel bij overschrijding van het fosfaatrecht door een melkveebedrijf, geen uitzondering voor Jersey-koeien

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 juli 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:4923

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelt in een ontnemingszaak tegen een biologisch melkveebedrijf dat Jersey-koeien houdt en dat onherroepelijk is veroordeeld voor het produceren van meer dierlijke mest dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht toestond. De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de economische politierechter en de advocaat-generaal vordert een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 19.334. Dat voordeel bestaat uit de kosten die het bedrijf heeft bespaard door over 2020 geen extra fosfaatrechten te leasen. De verdediging voert aan dat de forfaitaire berekening voor Jersey-koeien een te hoge fosfaatproductie oplevert en dat ontneming onrechtvaardig en disproportioneel is. Het hof stelt vast dat de wetgever sinds de invoering van het fosfaatrechtenstelsel geen uitzondering meer maakt voor biologische melkveehouders of Jersey-koeien en ziet geen bijzondere omstandigheden om daarvan af te wijken. Wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg stelt het hof het geschatte voordeel vast op € 19.334 en de betalingsverplichting aan de Staat op € 17.500.

Inleiding en context

Betrokkene is een rechtspersoon: een melkveebedrijf met een biologische bedrijfsvoering dat Jersey-koeien houdt. Zij is bij vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Gelderland van 14 maart 2025 onherroepelijk veroordeeld voor medeplegen van opzettelijke overtreding van artikel 21b, eerste lid, van de Meststoffenwet, begaan door een rechtspersoon, omdat zij in 2020 met melkvee meer dierlijke meststoffen in kilogrammen fosfaat heeft geproduceerd dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht toestond. Deze zaak betreft uitsluitend de daaropvolgende ontnemingsprocedure. De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de economische politierechter op de ontnemingsvordering.

Wettelijk kader

De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Omdat de veroordeling in de hoofdzaak onherroepelijk is, is de bewezenverklaring in deze procedure niet aan de orde; het gaat uitsluitend om de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting. Het achterliggende feit ziet op het fosfaatrechtenstelsel dat de wetgever per 1 januari 2018 heeft ingevoerd en dat forfaitair van aard is, waarbij voor de berekening het aantal melkvee bepalend is en niet het specifieke ras.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal vordert het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen op € 19.334 en betrokkene te verplichten dat bedrag aan de Staat te betalen. Zij voert aan dat over 2020 sprake is van een forfaitaire overschrijding van 573,49 kg fosfaat en dat betrokkene kosten heeft bespaard door geen extra fosfaatrechten te kopen of te leasen. Volgens de advocaat-generaal heeft de wetgever bij invoering van het stelsel nadrukkelijk voor een forfaitair systeem gekozen, zodat alleen het aantal melkvee relevant is en niet het ras.

Standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt de ontnemingsvordering af te wijzen dan wel de betalingsverplichting op nihil te stellen. De wettelijke forfaitaire berekeningswijze leidt tot een fosfaatproductie die aanmerkelijk hoger is dan de werkelijke fosfaatproductie van de gehouden Jersey-koeien. De vennootschap is niet gericht op maximalisatie van de melkproductie maar op een maatschappelijk en milieutechnisch verantwoorde biologische bedrijfsvoering, en heeft nooit gebruikgemaakt van de derogatie. Door veranderende regelgeving en inconsistenties in de meststoffenregelgeving was voor betrokkene niet duidelijk hoe de fosfaatproductie precies moest worden berekend. Ontneming is onder deze omstandigheden niet rechtvaardig, niet zinvol en disproportioneel. Bij oplegging van een betalingsverplichting moet rekening worden gehouden met overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg.

Oordeel gerecht

Het hof verenigt zich niet met de beslissing van de economische politierechter, vernietigt die en doet opnieuw recht. Het stelt vast dat betrokkene uit het bewezenverklaarde feit financieel voordeel heeft behaald in de vorm van bespaarde kosten, doordat zij over 2020 heeft nagelaten extra fosfaatrechten te leasen om het tekort aan te vullen. De berekening in het dossier is door de verdediging niet betwist: over 2020 was 5.326,25 kg aan fosfaatrechten benodigd terwijl 4.752,76 kg was geregistreerd, wat neerkomt op een overschrijding van 573,49 kg. Bij een gemiddelde leaseprijs van € 33,54 per kg en € 100 aan leges komt het voordeel uit op € 19.334.

Op de door de verdediging aangevoerde omstandigheden reageert het hof met de vaststelling dat alleen de Regeling fosfaatreductieplan 2017 een uitzondering voor Jersey-koeien kende via een rasfactor, en dat bij invoering van het fosfaatrechtenstelsel geen uitzondering meer is gemaakt voor biologische melkveehouders of Jersey-koeien, ondanks pogingen de wetgever op andere gedachten te brengen. In 2020 moet ook voor betrokkene kenbaar zijn geweest hoe de forfaitaire fosfaatproductie berekend moest worden, zodat zij kon weten dat zij over onvoldoende fosfaatrechten beschikte. De overige aangevoerde omstandigheden raken volgens het hof aan de strafbaarheid en strafwaardigheid van het handelen, waarover de economische politierechter al onherroepelijk heeft geoordeeld. Het hof onderkent dat betrokkene wellicht feitelijk geen fosfaat teveel heeft uitgestoten, maar acht geen bijzondere omstandigheden aanwezig om een uitzondering toe te passen waar de wetgever dat uitdrukkelijk niet meer heeft gewild. Het ziet daarom geen reden de vordering af te wijzen, de betalingsverplichting op nihil te stellen of een lager bedrag dan het geschatte voordeel vast te stellen, afgezien van een korting wegens de redelijke termijn.

De redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is in eerste aanleg overschreden. De vertegenwoordiger van betrokkene is op 10 februari 2022 gehoord en de economische politierechter heeft op 14 maart 2025 uitspraak gedaan, ongeveer dertien maanden na het verstrijken van de termijn. Het hof past om die reden een korting toe.

Vaststelling van het voordeel en de betalingsverplichting

Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 19.334 en legt betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat van € 17.500. Het verschil tussen beide bedragen is het gevolg van de korting wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^