Vrijspraak van feitelijk leidinggeven aan niet-ambtelijke omkoping en valsheid in geschrift omdat aan de facturen werkelijke werkzaamheden ten grondslag liggen

Rechtbank Rotterdam 24 augustus 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:10768

De rechtbank Rotterdam spreekt een bestuurder vrij van feitelijk leidinggeven aan niet-ambtelijke omkoping en valsheid in geschrift. De verdachte en zijn medeverdachte zetten via hun logistieke onderneming een bestaande constructie voort waarbij opslagkosten aan een opdrachtgever worden gefactureerd en één op één worden doorbetaald aan de privéondernemingen van een leidinggevende van die opdrachtgever. Volgens het Openbaar Ministerie vloeien deze bedragen terug als gift, omdat daar geen werkzaamheden tegenover staan. De rechtbank stelt vast dat de leidinggevende wel degelijk werkzaamheden verricht, dat bemiddeling en het doorfactureren daarvan in de logistieke sector niet ongebruikelijk zijn, en dat niet blijkt dat de verdachte opzet heeft op een gift of dat de leidinggevende in strijd met zijn plicht handelt. Omdat aan de facturen daadwerkelijk diensten ten grondslag liggen, kan evenmin worden vastgesteld dat de facturen vals zijn. Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging, omdat de rechtbank de aangevoerde vormverzuimen verwerpt.

Inleiding en context

De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1968. Samen met een medeverdachte bestuurt hij sinds 2002 een transportbedrijf. Nadat een belangrijke klant van dat transportbedrijf in 2013 failliet gaat, richten de verdachten op 9 januari 2013 een logistieke onderneming op, waarvan zij indirect bestuurder zijn. De onderneming neemt de klanten en de lopende afspraken van de failliete klant ongewijzigd over, waaronder een bestaande afspraak met de leidinggevende van een opdrachtgever.

Die afspraak houdt in dat de opdrachtgever goederen uit Europa voor een grote afnemer naar Argentinië verzendt, waarbij die goederen voorafgaand aan verzending tijdelijk op Schiphol worden opgeslagen, eerst in een loods van de failliete klant en vanaf 2013 in een loods van de onderneming. De onderneming factureert aan de opdrachtgever handlingskosten en, apart, opslagkosten. De ontvangen opslagkosten worden vervolgens één op één doorbetaald aan twee privéondernemingen van de leidinggevende van de opdrachtgever. Aan die doorbetalingen liggen facturen ten grondslag waarvan de omschrijving in de loop van de tijd verandert van loodshuur, via loodskosten, naar bemiddeling van loodskosten.

De zaak wordt in eerste aanleg behandeld door de meervoudige kamer, zittingsplaats Rotterdam, naar aanleiding van de zitting van 10 augustus 2026, op tegenspraak.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt onder feit 1 verweten dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan niet-ambtelijke omkoping door de onderneming, strafbaar gesteld in artikel 328ter van het Wetboek van Strafrecht in verbinding met artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht. De onderneming zou aan de leidinggevende van de opdrachtgever giften hebben gedaan, te weten betalingen van in totaal € 21.476.612,32, onder zodanige omstandigheden dat de verdachte redelijkerwijs moest aannemen dat de leidinggevende in strijd met zijn plicht handelde door de giften tegenover zijn werkgever te verzwijgen.

Onder feit 2 wordt de verdachte verweten dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan valsheid in geschrift door de onderneming, strafbaar gesteld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het gaat om het valselijk opmaken van facturen van de onderneming aan de opdrachtgever door daarin opslagkosten te vermelden voor werkzaamheden die niet of niet geheel door de onderneming zijn verricht.

Onder feit 3 wordt de verdachte verweten dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan het opzettelijk gebruikmaken en voorhanden hebben van valse facturen, strafbaar gesteld in artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het betreft de facturen van de privéondernemingen aan de onderneming met de vermelding van bemiddeling van loodskosten, terwijl daarvoor geen of minder werkzaamheden zouden zijn verricht, verwerkt in de boekhouding.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vordert een veroordeling voor de feiten 1, 2 en 3. Ten aanzien van feit 1 stelt de officier van justitie dat de verdachten ten onrechte facturen aan de opdrachtgever verzenden waarvan de bedragen via de privéondernemingen terugvloeien naar de leidinggevende. Die betalingen zijn volgens de officier van justitie te kwalificeren als gift, omdat de leidinggevende voor de daaraan ten grondslag liggende werkzaamheden al door de opdrachtgever wordt betaald en daar geen andere werkzaamheden tegenover staan. De leidinggevende handelt daarbij in strijd met zijn plicht, wat de verdachten weten dan wel redelijkerwijs kunnen vermoeden. Een concrete strafeis vermeldt het vonnis niet.

Standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging wegens een onherstelbaar vormverzuim, op drie gronden. De eerste grond houdt in dat het Openbaar Ministerie het dossier aan de benadeelde partijen heeft verstrekt voordat de verdediging onderzoekswensen kon opstellen, waardoor potentiële getuigen op de hoogte zijn geraakt van de bevindingen en niet meer uit eigen waarneming kunnen verklaren, met een inbreuk op het ondervragingsrecht en de waarheidsvinding tot gevolg. De tweede grond houdt in dat het Openbaar Ministerie cruciaal onderzoek naar ontlastend bewijsmateriaal achterwege heeft gelaten. De derde grond houdt in dat het Openbaar Ministerie de verbaliseringsplicht heeft geschonden door ontlastend bewijs uit het dossier te laten. Daartoe voert de verdediging aan dat niet alle geldstromen zijn onderzocht en geverbaliseerd, dat een proces-verbaal over geldstromen uit Uruguay pas in de onderzoeksfase is opgemaakt, dat stukken van belastingcontroles niet zijn gevoegd en dat een getuige niet is gehoord voordat de stukken aan een benadeelde partij zijn verstrekt.

De verdediging bepleit vrijspraak voor alle feiten. Voorwaardelijk verzoekt zij de correspondentie tussen het Openbaar Ministerie en de raadslieden van de benadeelde partijen aan het dossier toe te voegen.

Oordeel gerecht

De rechtbank verwerpt de eerste ontvankelijkheidsgrond. De verdediging heeft haar onderzoekswensen tot het horen van getuigen op 20 maart 2026 en 23 april 2026 ingetrokken, zodat de rechtbank niet inziet hoe de verdachte nadeel heeft ondervonden door het verstrekken van de stukken aan de benadeelde partijen. Bij dit verweer bestaat daarom geen belang.

De tweede en derde grond verwerpt de rechtbank eveneens. Het is aan het Openbaar Ministerie om een procesdossier op te stellen, en niet is gebleken dat het doelbewust ontlastende stukken buiten het dossier heeft gelaten. De verdediging heeft de buitenlandse bankafschriften bij de FIOD kunnen inzien, de rapporten van de belastingcontroles zijn door haarzelf aangedragen en gevoegd, en zij heeft nagelaten onderzoekswensen in te dienen waarvoor voldoende tijd en gelegenheid bestond. Het proces-verbaal over de geldstromen uit Uruguay is weliswaar laat verstrekt, op 26 maart 2026, maar ruim voor de inhoudelijke behandeling, zodat de verdediging daarover een standpunt heeft kunnen innemen en niet is geschaad. Van een onherstelbaar vormverzuim is geen sprake, zodat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is. Het voorwaardelijke verzoek tot het toevoegen van de correspondentie wijst de rechtbank af, omdat toevoeging niet noodzakelijk is voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering.

Ten aanzien van feit 1 overweegt de rechtbank dat voor een bewezenverklaring moet worden vastgesteld dat het doen van een gift of belofte een opzettelijke handeling van de omkoper is waardoor de omgekochte in strijd met zijn plicht handelt. De leidinggevende verricht werkzaamheden in de loods: hij controleert de partijen voor de afnemer en zorgt voor een juiste bestickering, werkzaamheden die de CEO van de opdrachtgever als moeilijk en delicaat omschrijft en die van belang zijn wegens de strenge controles en hoge boetes in Argentinië. De rechtbank kan niet vaststellen dat de leidinggevende deze werkzaamheden in zijn hoedanigheid van functionaris van de opdrachtgever verricht en daarvoor door de opdrachtgever wordt betaald. Hij blijft de werkzaamheden immers verrichten nadat hij in 2022 uit dienst treedt, zijn opvolger neemt ze niet over, hij verricht de fysieke controles niet voor andere klanten, en binnen de groep van de opdrachtgever en de afnemer zijn personen ervan op de hoogte dat hij via zijn privéonderneming betalingen ontvangt.

Daarbij is voldoende aannemelijk geworden dat het inschakelen van een bemiddelaar en het één op één doorfactureren van bemiddelingskosten in de logistieke sector niet ongebruikelijk is. De rol van een dergelijke bemiddelaar is diffuus, omdat hij de belangen van beide partijen behartigt terwijl hij door één partij wordt betaald. Dat de leidinggevende grote bedragen heeft ontvangen, acht de rechtbank niet zonder meer opmerkelijk, nu niet is gebleken dat de gehanteerde marge ongebruikelijk is. De verklaringen van de verdachten dat zij geen vragen hebben gesteld over de bemiddelingskosten en de facturatie omdat zij de werkwijze niet ongebruikelijk vonden, acht de rechtbank niet onaannemelijk. Daarbij betrekt zij dat de Belastingdienst bij twee boekenonderzoeken in 2016 en 2018, evenals de accountant en de curator van de failliete klant, geen bijzonderheden ten aanzien van deze facturen en betalingen heeft vastgesteld. Bovendien ligt het initiatief tot de constructie niet bij de verdachten, dateren de afspraken van vóór de overname en is niet gebleken dat de verdachten daaruit direct financieel voordeel hebben gehad, terwijl de opdrachtgever slechts een beperkt deel van de omzet vertegenwoordigt.

De rechtbank kan gelet hierop niet vaststellen dat de onderneming opzet heeft op het doen van een gift, en evenmin dat de leidinggevende in strijd met zijn plicht handelt. Het dossier bevat volgens de rechtbank aanwijzingen op grond waarvan de verdachten hadden kunnen vermoeden dat de betalingen niet zuiver waren, zoals communicatie buiten het officiële werkmailadres om, berichten dat die communicatie daarbuiten moest blijven, een op verzoek verstuurde mail om de opslagkosten te verhogen, en het feit dat de leidinggevende de facturen na zijn vertrek naar zijn privéonderneming liet sturen. Het nalaten van nader onderzoek naar die aanwijzingen is echter onvoldoende om te spreken van de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat het bestuur van de opdrachtgever niet op de hoogte was en dat opslagkosten ten onrechte in rekening werden gebracht. De verdachte wordt daarom vrijgesproken van feit 1.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 overweegt de rechtbank, in aansluiting daarop, dat wel degelijk diensten en werkzaamheden aan de facturen ten grondslag liggen, zodat niet kan worden vastgesteld dat de facturen vals zijn. Ook van het opmaken en verwerken van valse facturen wordt de verdachte vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^