Hoge Raad verwerpt cassatieberoep over het oordeel dat de verklaring van de verdachte over de herkomst van het geldbedrag bij witwassen op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is

Hoge Raad 1 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1406

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van een man die door het gerechtshof Amsterdam is veroordeeld wegens witwassen van een geldbedrag van € 12.950 tot een gevangenisstraf van twee maanden, waarvan één maand voorwaardelijk. In eerste aanleg volgt vrijspraak. Het eerste cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is, en in het bijzonder over het oordeel van het hof dat de verklaring van de verdachte over de herkomst van het geld op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. De Hoge Raad oordeelt dat dit middel om de in de conclusie van de advocaat-generaal genoemde redenen niet tot cassatie leidt. Het tweede middel klaagt met succes over de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase. Gelet op de opgelegde straf volstaat de Hoge Raad met de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden en verbindt daaraan geen ander rechtsgevolg.

Achtergrond

De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1993. Het gerechtshof Amsterdam veroordeelt hem op 16 mei 2024, zaaknummer 23-001705-22, wegens witwassen, artikel 420bis lid 1 onder b Sr, tot een gevangenisstraf van twee maanden waarvan één maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Het hof verklaart een deel van de inbeslaggenomen voorwerpen verbeurd en gelast de teruggave van het overige deel. In eerste aanleg spreekt de rechtbank de verdachte integraal vrij van het tenlastegelegde.

De zaak draait om het witwassen van een geldbedrag van € 12.950. De bewezenverklaring en de bewijsoverwegingen van het hof zijn in het arrest niet uitgeschreven, maar weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.2 en 2.3, terwijl de bewezenverklaring verder steunt op de bewijsmiddelen in de aanvulling op het arrest. Die conclusie en aanvulling zijn niet aan mij verstrekt, zodat het onderliggende feitencomplex hier niet nader kan worden weergegeven.

Cassatiemiddelen

Namens de verdachte stelt de advocaat M. Berndsen twee cassatiemiddelen voor. Het eerste middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring, en in het bijzonder over de bewijsklacht dat het geldbedrag afkomstig is uit enig misdrijf. De klacht keert zich tegen het oordeel van het hof dat de verklaring van de verdachte over de herkomst van het geldbedrag op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is, terwijl de verdachte die verklaring heeft onderbouwd met een schriftelijke en ondertekende verklaring van een ander en zijn neef ter terechtzitting in hoger beroep als getuige heeft meegebracht, die een gelijkluidende verklaring heeft afgelegd.

Het tweede middel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden doordat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

De advocaat-generaal M.E. van Wees concludeert tot verwerping van het beroep.

Beoordeling Hoge Raad

Het eerste middel leidt niet tot cassatie. De Hoge Raad verwijst voor de redenen daarvoor naar de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.4 tot en met 2.6. De volledige conclusie is niet aan mij verstrekt, zodat de daarin opgenomen redenering hier niet nader wordt weergegeven.

Het tweede middel is gegrond. De Hoge Raad stelt vast dat hij uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep en dat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden, zodat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Gelet op de opgelegde gevangenisstraf van twee maanden waarvan één maand voorwaardelijk, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden en verbindt hij daaraan geen ander rechtsgevolg. Het middel slaagt daarmee, maar leidt niet tot vernietiging van de bestreden uitspraak.

Beslissing van de Hoge Raad

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^