Veroordeling voor feitelijk leidinggeven aan het niet doen van aangiften omzetbelasting en vrijspraak van bedrieglijke bankbreuk wegens ontbrekend opzet op benadeling van schuldeisers
/Gerechtshof Amsterdam 23 juli 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:2188
Het gerechtshof Amsterdam veroordeelt een verdachte voor het medeplegen van feitelijk leidinggeven aan het opzettelijk niet doen van aangiften omzetbelasting door een besloten vennootschap over vijf kwartalen in 2011 en 2012, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven. Volgens de Belastingdienst leidt dit tot een belastingnadeel van in totaal € 680.612, waarop het hof geen voorbelasting in mindering brengt omdat de administratie onvolledig is. Het hof spreekt de verdachte vrij van het feitelijk leidinggeven aan bedrieglijke bankbreuk, omdat niet bewezen is dat het niet voeren van de administratie plaatsvond ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers. Ook verwerpt het hof het beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wegens strijd met het Protocol AAFD. Wegens overschrijding van de redelijke termijn legt het hof een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden op met een proeftijd van drie jaren. Daarnaast legt het hof een taakstraf van 240 uren op, subsidiair 120 dagen hechtenis.
Inleiding en context
De zaak betreft een natuurlijke persoon, geboren in 1962, die via een houdstervennootschap middellijk bestuurder was van een projectontwikkelingsvennootschap die vijf kantoorpanden en een bedrijfsverzamelgebouw in Rijswijk ontwikkelde. De bestuurders van die vennootschap waren twee besloten vennootschappen, waaronder de vennootschap van de verdachte en een vennootschap die door een medeverdachte werd bestuurd. De projectvennootschap is op 19 november 2013 failliet verklaard; een gelieerde vennootschap met dezelfde bestuurders is enkele maanden eerder, op 2 augustus 2013, failliet verklaard. De curator heeft in beide faillissementen aangifte gedaan van faillissementsfraude. De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte op 18 oktober 2019 voor beide feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachte wordt onder feit 1 verweten dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan het medeplegen van bedrieglijke bankbreuk, doordat de bestuurders van de twee failliete vennootschappen ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers niet hebben voldaan aan de administratieplicht. Omdat de gedragingen dateren van vóór de herziening van de faillissementsstrafbepalingen op 1 juli 2016, is artikel 343, aanhef en onder 4°, (oud) Sr van toepassing, dat de administratieplicht koppelt aan artikel 2:10 lid 1 BW, artikel 3:15i lid 1 BW en artikel 5 lid 1 van de Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen. Onder feit 2 wordt de verdachte verweten dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan het opzettelijk niet doen van aangiften omzetbelasting door de projectvennootschap over het tweede kwartaal 2011 tot en met het derde kwartaal 2013, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, strafbaar gesteld in artikel 69 AWR in samenhang met artikel 51 Sr.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging. Beide feiten kunnen volgens de advocaat-generaal wettig en overtuigend worden bewezen. Voor feit 1 voert zij aan dat voor de verdachte en de medeverdachte vanaf 31 mei 2013 voor de ene vennootschap en vanaf 2 juli 2012 voor de andere vennootschap duidelijk moet zijn geweest dat een faillissement onvermijdelijk was, dat vanaf die data de aanmerkelijke kans bestond dat schuldeisers zouden worden benadeeld door het nalaten een deugdelijke administratie te voeren, en dat zij die kans bewust hebben aanvaard door na te laten de administratie op orde te brengen. Voor feit 2 stelt de advocaat-generaal dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het niet doen van aangiften over het tweede en derde kwartaal 2012 en het eerste tot en met het derde kwartaal 2013, omdat niet is gebleken dat in die kwartalen facturen met omzetbelasting bij derden in rekening zijn gebracht. De advocaat-generaal vordert voor de feiten 1 en 2 een gevangenisstraf van twaalf maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw voert allereerst aan dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. Het Openbaar Ministerie is op grond van de beginselen van een goede procesorde gebonden aan het Protocol aanmelding en afdoening van fiscale delicten (Protocol AAFD), en aan de daarin gehanteerde benadelingsbedragen is niet voldaan. Als de Belastingdienst naast de verkoopfacturen ook de inkoopfacturen in de nadeelberekening had betrokken, zou een zodanig bedrag aan voorbelasting in aftrek zijn gebracht dat van een benadelingsbedrag geen sprake zou zijn geweest, en zou het Openbaar Ministerie niet tot vervolging zijn overgegaan.
Voor feit 1 bepleit de raadsvrouw vrijspraak. Primair voert zij aan dat niet kan worden vastgesteld dat de administratie van de failliete vennootschappen onvolledig was, nu uit de door de verdediging overgelegde stukken blijkt dat vrijwel alle benodigde stukken aan de curator zijn verstrekt en de overzichten van de curator met ontbrekende stukken onjuist zijn. Subsidiair heeft de verdachte niet gehandeld ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers; het niet of onvoldoende voeren van een administratie impliceert niet zonder meer voorwaardelijk opzet op die verkorting, en voor zover al een aanmerkelijke kans bestond, heeft de verdachte deze niet bewust aanvaard.
Voor feit 2 bepleit de raadsvrouw eveneens vrijspraak. Zij voert aan dat niet kan worden bewezen dat de verdachte opzettelijk heeft nagelaten de aangiften omzetbelasting te doen, omdat de verdachte in de veronderstelling verkeerde en mocht verkeren dat zijn boekhouder deze aangiften zou verzorgen en hij zich heeft ingespannen om aan de aangifteplicht te voldoen. Verder stond voor de verdachte vast dat een teruggaaf zou volgen, omdat de inkoopkosten hoger waren dan de verkoopkosten. Uit door de verdediging overgelegde rapporten volgt volgens de raadsvrouw dat de vennootschap per saldo recht had op een teruggaaf van ruim € 53.000 en dus geen afdrachtverplichting had, zodat niet kan worden bewezen dat het niet doen van de aangiften ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven. Voor de straf verzoekt de raadsvrouw geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, gelet op de ouderdom van de feiten, de forse overschrijding van de redelijke termijn en het volgens de verdediging ontbreken van benadeling van de schatkist.
Oordeel gerecht
Het hof verklaart het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging. Op 10 januari 2017 is besloten een strafrechtelijk onderzoek in te stellen, op welk moment het Protocol AAFD 2015 van kracht was, met als criterium onder meer dat bij een nadeelbedrag van € 100.000 of meer de zaak wordt aangemeld bij een vermoeden van opzet. Op het moment van de vervolgingsbeslissing was bij de Belastingdienst niets bekend over eventuele inkoopfacturen met voorbelasting, omdat de kwartaalaangiften waaruit die voorbelasting zou kunnen volgen niet waren gedaan. Gelet op het destijds bekende benadelingsbedrag mocht het Openbaar Ministerie tot vervolging overgaan.
Bij feit 1 stelt het hof eerst vast dat niet aan de administratieplicht is voldaan. Uit de aangiften van de curator, de getuigenverklaring van de boekhouder en de e-mailcorrespondentie volgt dat sprake was van een gebrekkige en zeer incomplete administratie en dat benodigde stukken niet werden aangeleverd, waardoor de boekhouder haar werkzaamheden heeft gestaakt. Dat de curator vier stukken ten onrechte als ontbrekend heeft aangemerkt, leidt gelet op de hoeveelheid niet aangeleverde stukken niet tot een ander oordeel en tast de kern van zijn verklaring niet aan.
De vraag of dit is geschied ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers beantwoordt het hof ontkennend. Onder verwijzing naar de rechtspraak van de Hoge Raad overweegt het hof dat het enkele niet of onvoldoende voeren van een administratie niet zonder meer de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van schuldeisers doet ontstaan, en dat ook wanneer die kans wel kan worden vastgesteld, daaruit nog niet volgt dat de verdachte die kans bewust heeft aanvaard. Het hof neemt aan dat de vennootschap van de verdachte door het niet voeren en niet aanleveren van de administratie de aanmerkelijke kans heeft doen ontstaan dat de rechten van de schuldeisers werden verkort, en dat van daadwerkelijke verkorting sprake is geweest gelet op de faillissementstekorten van ongeveer € 1,5 miljoen en ongeveer € 6 miljoen. Het hof acht echter niet bewezen dat die kans bewust is aanvaard. Het nalaten maatregelen te nemen om de administratie alsnog op orde te brengen, impliceert niet dat is gehandeld met het opzet de rechten van schuldeisers te verkorten. Het hof spreekt de verdachte daarom vrij van feit 1.
Bij feit 2 stelt het hof vast dat de projectvennootschap over het tweede kwartaal 2011 tot en met het derde kwartaal 2013 geen aangiften omzetbelasting heeft gedaan, terwijl zij in 2011 en 2012 verkoopfacturen met omzetbelasting bij derden in rekening heeft gebracht die goeddeels ook zijn voldaan, waarna de ontvangen omzetbelasting niet is afgedragen. Het hof merkt de vennootschap aan als dader, omdat zij geadresseerde van de norm is, de gedraging binnen haar sfeer heeft plaatsgevonden en haar dienstig is geweest, en het opzet van de verdachte aan haar kan worden toegerekend. De verdachte was via zijn vennootschap formele middellijke bestuurder, binnen de vennootschap waren naast de medeverdachte geen andere personen werkzaam, en de verdachte wist dat verkoopfacturen waren verstuurd en dat de verantwoordelijkheid voor de aangiften vanaf het tweede kwartaal 2011 bij hem lag. Het verweer dat de verdachte meende dat de boekhouder de aangiften zou blijven verzorgen acht het hof ongeloofwaardig, gelet op de schriftelijke communicatie met de boekhouder en de Belastingdienst; als middellijk bestuurder bleef de verdachte eindverantwoordelijk.
Het hof oordeelt dat aan het strekkingsvereiste is voldaan voor het tweede tot en met het vierde kwartaal 2011 en het eerste en vierde kwartaal 2012, omdat in die kwartalen verkoopfacturen met omzetbelasting in rekening zijn gebracht en het niet doen van aangifte naar zijn aard geschikt is te bewerkstelligen dat te weinig belasting wordt geheven. Voor de overige vijf kwartalen, het tweede en derde kwartaal 2012 en het eerste tot en met het derde kwartaal 2013, is niet gebleken dat facturen met omzetbelasting in rekening zijn gebracht, zodat de verdachte van dat deel wordt vrijgesproken. Het verweer dat per saldo recht op teruggaaf bestond, verwerpt het hof: de vennootschap moest per kwartaal aangifte doen en daarin de betaalde en ontvangen omzetbelasting vermelden, en een recht op teruggaaf ontstaat pas wanneer de administratie op orde is, waarvan hier geen sprake was. Aan de in hoger beroep overgelegde rapporten gaat het hof voorbij. Het hof acht bewezen dat de verdachte, tezamen en in vereniging met de medeverdachte, feitelijk leiding heeft gegeven aan het door de vennootschap niet doen van de aangiften omzetbelasting.
Bewezenverklaring
Het hof acht bewezen dat de verdachte, tezamen en in vereniging met een ander, feitelijk leiding heeft gegeven aan het door de vennootschap opzettelijk niet doen van bij de belastingwet voorziene aangiften, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven. Concreet gaat het om de digitale aangiften voor de omzetbelasting op naam van de vennootschap over:
het jaar 2011, tweede tot en met vierde kwartaal
het jaar 2012, eerste en vierde kwartaal
Het hof kwalificeert dit als medeplegen van feitelijk leidinggeven aan het opzettelijk niet doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd. Van feit 1, het feitelijk leidinggeven aan het medeplegen van bedrieglijke bankbreuk, wordt de verdachte vrijgesproken. Ook van het onder feit 2 meer of anders tenlastegelegde, waaronder het niet doen van aangiften over de overige vijf kwartalen, wordt de verdachte vrijgesproken.
Strafoplegging en maatregelen
Het hof bepaalt de straf op grond van de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon van de verdachte. Het hof rekent de verdachte aan dat hij zich ook in hoger beroep achter de boekhouder blijft verschuilen en geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen, waaruit geen inzicht in het strafbare van zijn gedragingen blijkt. Het belastingnadeel bedraagt volgens de Belastingdienst in totaal € 680.612, waarop het hof geen voorbelasting in mindering brengt, omdat dat bedrag door de onvolledige administratie onvoldoende inzichtelijk is geworden en de in hoger beroep overgelegde inkoopfacturen voor een groot deel aan twee vennootschappen tezamen zijn gericht. De verdachte is niet eerder strafrechtelijk veroordeeld en de feiten dateren van meer dan tien jaar geleden. Gezien de ernst van het feit acht het hof in beginsel een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, passend en geboden.
Vervolgens beoordeelt het hof de redelijke termijn. In eerste aanleg is de termijn van twee jaren, aangevangen met het eerste politieverhoor op 2 augustus 2017 en geëindigd met het vonnis van 18 oktober 2019, met ruim twee maanden overschreden. In hoger beroep, aangevangen op 30 oktober 2019 en geëindigd met dit arrest op 23 juli 2026, bedraagt de overschrijding ongeveer 57 maanden, waarvan het hof vier maanden aan de verdediging toerekent wegens een teruggetrokken verzoek om een nadere regiezitting, zodat 53 maanden resteren. Gelet op de geconstateerde overschrijding legt het hof een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden op met een proeftijd van drie jaren en daarnaast een onvoorwaardelijke taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Daarmee wijkt het hof af van de eis van de advocaat-generaal, die een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf had gevorderd.
Lees hier de volledige uitspraak.
