Hoge Raad herhaalt overwegingen over hoofdelijke aansprakelijkheid van art. 36e lid 7 Sr bij gemeenschappelijk voordeel
/Hoge Raad 1 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1405
De Hoge Raad vernietigt een ontnemingsuitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin aan de betrokkene een hoofdelijke betalingsverplichting van € 19.258 is opgelegd ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het voordeel is verkregen uit medeplegen van mensenhandel, doordat twee slachtoffers in de prostitutie moesten werken en hun verdiensten moesten afstaan. Het tweede cassatiemiddel klaagt over de oplegging van een hoofdelijke betalingsverplichting aan de betrokkene voor het gehele bedrag. De Hoge Raad herhaalt zijn overwegingen uit HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:878 over de hoofdelijke aansprakelijkheid van artikel 36e lid 7 Sr bij gemeenschappelijk voordeel. Het oordeel van het hof is niet toereikend gemotiveerd, omdat uit de bewijsvoering volgt dat een deel van de opbrengst is overgeboekt naar rekeningen van de medebetrokkene zonder dat het hof heeft vastgesteld dat beiden gezamenlijk over de gehele opbrengst konden beschikken. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak en wijst de zaak terug naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch.
Achtergrond
De betrokkene is een natuurlijk persoon, geboren in 1993. Deze zaak betreft geen strafoplegging maar een procedure tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, die samenhangt met de strafzaak met zaaknummer 24/00367. In die strafzaak is bewezenverklaard dat de betrokkene zich schuldig maakt aan mensenhandel, gepleegd door twee of meer verenigde personen, ten aanzien van een eerste slachtoffer en aan mensenhandel, gepleegd door twee of meer verenigde personen, ten aanzien van een tweede slachtoffer. De in de strafzaak opgelegde straf blijkt niet uit deze ontnemingsuitspraak.
Het gerechtshof 's-Hertogenbosch schat bij arrest van 26 januari 2024 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op € 19.258 en legt hem een hoofdelijke betalingsverplichting op ter ontneming van dat bedrag. De duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bij niet-betaling bepaalt het hof op 385 dagen.
Aan de oplegging van de hoofdelijke betalingsverplichting legt het hof ten grondslag dat de betrokkene en de medebetrokkene de relevante strafbare feiten tezamen en in vereniging begaan en gezamenlijk de beschikking hebben gehad over de gehele wederrechtelijke opbrengst. Het contant verdiende geld van het eerste slachtoffer moet worden afgestaan aan de medebetrokkene, die het in een kluis legt waarover beiden kunnen beschikken, en het geld wordt door beiden uitgegeven voor hun levensonderhoud. Ten aanzien van het tweede slachtoffer stelt het hof vast dat contant geld wordt opgenomen met haar pinpas, die zowel de betrokkene als de medebetrokkene in bezit heeft, en dat geld van haar rekening wordt overgeschreven naar de rekeningen van de betrokkene en de medebetrokkene. Het hof acht van belang dat beiden in de periode van 1 januari 2021 tot en met 25 juni 2021 samen in de woning van de betrokkene wonen en een gemeenschappelijke financiële huishouding delen, en dat de verdediging geen ontzenuwende gegevens verschaft.
Cassatiemiddelen
Namens de betrokkene stelt de advocaat L.E.G. van der Hut twee cassatiemiddelen voor. Het eerste middel richt zich tegen de motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de opgelegde betalingsverplichting. Het tweede middel klaagt over de oplegging door het hof van een hoofdelijke betalingsverplichting aan de betrokkene voor het gehele bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel. De advocaat-generaal Frielink concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch, met als slotsom dat het eerste middel faalt en het tweede middel slaagt.
Beoordeling Hoge Raad
Het eerste cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De Hoge Raad oordeelt dat de klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak en dat dit oordeel geen motivering behoeft, omdat de beoordeling ervan geen beantwoording vergt van vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht, artikel 81 lid 1 RO.
Bij de beoordeling van het tweede middel stelt de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.3 de overwegingen voorop uit HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:878 over de hoofdelijke aansprakelijkheid in de zin van artikel 36e lid 7 Sr. Daaruit volgt dat de rechter het wederrechtelijk verkregen voordeel als gemeenschappelijk voordeel voor het geheel aan de betrokkene kan toerekenen wanneer het dossier en het verhandelde ter terechtzitting zodanige duidelijke aanwijzingen bevatten dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat twee of meer daders gezamenlijk de beschikking hebben of gedurende zekere tijd de beschikking hebben gehad over de gehele opbrengst, en de betrokkene daaromtrent geen ontzenuwende gegevens verschaft.
Tegen die achtergrond is het oordeel van het hof dat de betalingsverplichting hoofdelijk moet worden opgelegd, niet toereikend gemotiveerd. De Hoge Raad acht daarbij van belang dat uit de bewijsvoering in de strafzaak volgt dat de opbrengst van de mensenhandel van het eerste slachtoffer deels is overgeboekt naar bankrekeningen van de medebetrokkene, terwijl het hof in de ontnemingsprocedure niet heeft vastgesteld dat de betrokkene en de medebetrokkene daarover gezamenlijk de beschikking hebben of gedurende zekere tijd gezamenlijk de beschikking hebben gehad. Aan die bewijsvoering kan daarom niet zonder meer worden ontleend dat de betrokkene daadwerkelijk gezamenlijk met de medebetrokkene de beschikking heeft of gedurende zekere tijd de beschikking heeft gehad over de gehele opbrengst van de bewezenverklaarde feiten, en dat op die grond het wederrechtelijk voordeel voor het geheel als gemeenschappelijk voordeel aan de betrokkene kan worden toegerekend. Het middel slaagt in zoverre, zodat bespreking van het restant ervan niet nodig is.
Beslissing van de Hoge Raad
De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof en wijst de zaak terug naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Lees hier de volledige uitspraak.
