Veroordeling van rechtspersoon tot geldboete voor overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet en dood door schuld na dodelijke val van een dak

Rechtbank Oost-Brabant 23 juli 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:5395

De rechtbank veroordeelt een onderneming die zonnepanelen plaatst tot een geldboete van € 50.000 voor overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet en voor dood door schuld, nadat een van haar werknemers op 31 januari 2025 in Rijsbergen van een plat dak van 7,2 meter is gevallen en is overleden. Het slachtoffer plaatst die dag samen met de hoofdmonteur zonnepanelen op dat dak, zonder dat op de locatie enige vorm van valbeveiliging aanwezig of gebruikt is. De rechtbank stelt vast dat de verdachte de risico's van het werken op een plat dak op hoogte niet in een risico-inventarisatie en -evaluatie heeft vastgelegd, de werknemers niet doeltreffend heeft ingelicht en geen toezicht heeft gehouden op het project. In dat nalaten ligt volgens de rechtbank het opzet op de overtreding van artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet besloten, en uit hetzelfde nalaten volgt de aanmerkelijke schuld aan de dood van het slachtoffer. De gedragingen worden aan de verdachte als rechtspersoon toegerekend omdat zij hebben plaatsgevonden in de sfeer van de onderneming. Anders dan de officier van justitie legt de rechtbank geen voorwaardelijk strafdeel op, omdat de verdachte verantwoordelijkheid heeft genomen en maatregelen heeft getroffen om herhaling te voorkomen.

Inleiding en context

De verdachte is een rechtspersoon die zich onder meer bezighoudt met de aanleg van zonnepanelen. Op 29 januari 2025 begint het slachtoffer, een hulpmonteur, samen met de hoofdmonteur op het project met de aanleg van zonnepanelen op het platte dak van een pand in Rijsbergen, gemeente Zundert. Op 31 januari 2025 valt het slachtoffer tijdens die werkzaamheden van het dak. De hoogte van het dak tot aan de grond bedraagt 7,2 meter. Het slachtoffer overlijdt ter plaatse aan ernstig schedel-hersenletsel dat past bij een val van het dak.

De Nederlandse Arbeidsinspectie stelt onder de onderzoeksnaam Annapurna een onderzoek in. Verbalisanten treffen op de ongevalslocatie geen randbeveiliging langs de dakrand aan en vinden in de bedrijfsbussen en op de aanhanger geen voorzieningen voor collectieve of individuele valbeveiliging. Het slachtoffer droeg geen valharnas. De zaak wordt in eerste aanleg behandeld door de meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch. De verdachte wordt ter terechtzitting vertegenwoordigd door de indirect bestuurder.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt onder feit 1 verweten dat zij als werkgever al dan niet opzettelijk handelingen heeft verricht of nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en de daarop rustende bepalingen. Het gaat om schending van artikel 5, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet (het schriftelijk vastleggen van de risico's in een inventarisatie en evaluatie), artikel 8, eerste lid (doeltreffende voorlichting van de werknemers), artikel 8, vierde lid (toezicht op de naleving) en artikel 3.16 van het Arbeidsomstandighedenbesluit (maatregelen ter voorkoming van valgevaar), terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van het slachtoffer of andere werknemers ontstond of te verwachten was. Deze overtreding is strafbaar gesteld via artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet en aangewezen als economisch delict in de Wet op de economische delicten.

Onder feit 2 wordt de verdachte verweten dat aan haar schuld te wijten is dat het slachtoffer van het dak is gevallen en is overleden, hetgeen dood door schuld oplevert in de zin van artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht. Beide feiten zijn ten laste gelegd als begaan door een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Zij vordert een geldboete van € 60.000, waarvan € 25.000 voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

Standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak van feit 2 wegens het ontbreken van de daarvoor vereiste aanmerkelijke schuld. Ten aanzien van feit 1 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank, met de kanttekening dat de ten laste gelegde overtredingen van de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit nuancering behoeven. De verdediging erkent dat de inventarisatie van risico's en de documentatie daarvan beter had gekund, dat de werknemers beter hadden kunnen worden geïnstrueerd en dat meer toezicht mogelijk was geweest, en dat in zoverre de algemene zorgplicht is geschonden. Dat betekent volgens de verdediging echter niet dat in het geheel geen sprake was van een veiligheidsbeleid.

Voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, voert de verdediging een strafmaatverweer. Zij verzoekt een straf op te leggen die in verhouding staat tot de aard van de zaak, rekening houdend met de meewerkende houding van de verdachte, de maatregelen die na het ongeval zijn genomen, de aan de nabestaanden geboden hulp, de omvang en de financiële draagkracht van de onderneming, de erkenning van de schending van de zorgplicht en het blanco strafblad.

Oordeel gerecht

De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat de plaats van het ongeval een arbeidsplaats is, dat het slachtoffer een werknemer van de verdachte was en dat op de verdachte als werkgever de verplichting rust een goed arbobeleid te voeren.

Ten aanzien van artikel 5, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet overweegt de rechtbank dat de verdachte ten tijde van het ongeval wel over een risico-inventarisatie en -evaluatie beschikte, maar dat daarin de risico's van het werken op een plat dak op hoogte niet zijn geïnventariseerd. De inventarisatie vermeldt dat voor projecten een afzonderlijke inventarisatie en een veiligheids- en gezondheidsplan worden opgesteld, maar voor dit project is dat niet gebeurd. De aanwezige maatregelenlijst voor het aanleggen van zonnepanelen brengt het valgevaar slechts in algemene zin in kaart en is niet toegespitst op werkzaamheden op een dak van 7,2 meter. De verdachte heeft dit voorschrift daarom overtreden.

Ten aanzien van artikel 8, eerste lid, oordeelt de rechtbank dat geen doeltreffende voorlichting heeft kunnen plaatsvinden, omdat de risico's niet daadwerkelijk in kaart zijn gebracht. Het slachtoffer en de hoofdmonteur beschikten weliswaar over certificaten en de verdachte verzorgde een toolbox, maar de verdachte heeft nagelaten de concrete veiligheidsrisico's en de te treffen maatregelen bij de start van de werkzaamheden met hen te bespreken. Daarmee heeft de verdachte de verantwoordelijkheid voor een veilige werkplek feitelijk bij haar werknemers gelegd. Het enkel overhandigen van het instructieboek bij indiensttreding is onvoldoende, omdat niet wordt gecontroleerd of de werknemers van de inhoud kennisnemen en de inlichtingenplicht een doorlopende verplichting inhoudt.

Ten aanzien van artikel 8, vierde lid, stelt de rechtbank vast dat het toezicht niet structureel was geborgd en bestond uit het bezoeken van projecten als de agenda dat toeliet. Aan dit project is geen bezoek gebracht. De verdachte heeft op geen enkele wijze toezicht gehouden en heeft de verantwoordelijkheid voor een veilige werkplek ten onrechte volledig bij het slachtoffer en de hoofdmonteur gelegd.

Ten aanzien van artikel 3.16 van het Arbeidsomstandighedenbesluit overweegt de rechtbank dat geen enkele vorm van beveiliging is gebruikt om het valgevaar te voorkomen en dat de daarvoor benodigde voorzieningen niet eens op de locatie aanwezig waren.

De rechtbank oordeelt dat de verdachte wist, althans redelijkerwijs moest weten, dat door haar nalaten levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van haar werknemers kon ontstaan, nu evident is dat het geheel achterwege laten van maatregelen tegen valgevaar van grote hoogte kan leiden tot ongelukken met ernstige gevolgen. Voor het opzet geldt dat bij de in de Wet op de economische delicten aangewezen voorschriften slechts een opzettelijke gedraging of een opzettelijk nalaten is vereist, en dat het opzet er niet op gericht hoeft te zijn dat een wettelijke verplichting niet wordt nageleefd. In het nalaten van de verdachte om haar zorgplichten na te leven ligt het opzet besloten, zodat feit 1 opzettelijk is begaan.

Voor feit 2 stelt de rechtbank het beoordelingskader van artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht voorop: vereist is een verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid, waarbij de verdachte anders moest en kon handelen, en waarbij een voldoende causaal verband tussen de fout en de dood en de voorzienbaarheid daarvan komen vast te staan. Uit hetgeen ten aanzien van feit 1 is overwogen volgt naar het oordeel van de rechtbank de schuld van de verdachte. Dat de vakmensen ter plaatse degenen zijn geweest die geen valbeveiliging hebben gebruikt, doet er niet aan af dat het de verdachte is geweest die heeft nagelaten een op de situatie toegespitste inventarisatie op te stellen, de werknemers doeltreffend en doorlopend in te lichten en toezicht te houden. Daarmee is ook het causaal verband tussen het nalaten en de dodelijke val gegeven. De verdachte heeft aanmerkelijk onvoorzichtig en nalatig gehandeld en had anders kunnen en moeten handelen.

De gedragingen worden aan de verdachte als rechtspersoon toegerekend. Het plaatsen van zonnepanelen wordt uitgevoerd door werknemers van de verdachte en past binnen de normale bedrijfsvoering, terwijl ook de tekortkomingen op het gebied van de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit verband houden met die bedrijfsvoering en de feitelijke gang van zaken door de verdachte werd aanvaard.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen:

  • feit 1: overtreding van het bepaalde bij artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, bestaande uit het handelen in strijd met artikel 5, eerste lid, artikel 8, eerste lid, en artikel 8, vierde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet en artikel 3.16 van het Arbeidsomstandighedenbesluit;

  • feit 2: aan haar schuld de dood van een ander te wijten zijn, begaan door een rechtspersoon.

Van hetgeen meer of anders is ten laste gelegd spreekt de rechtbank de verdachte vrij.

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank neemt in zaken als deze een geldboete van € 100.000 als uitgangspunt, mede gebaseerd op uitspraken in vergelijkbare zaken, en houdt vervolgens rekening met alle relevante omstandigheden. De rechtbank rekent de verdachte zwaar aan dat zij haar zwaarwegende verplichtingen volledig bij haar werknemers heeft neergelegd en door het ontbreken van toezicht de gevaren van het werk zich hebben kunnen verwezenlijken, en betrekt daarbij het onherstelbare leed dat de nabestaanden is aangedaan.

In strafmatigende zin weegt de rechtbank mee dat de verdachte niet eerder is veroordeeld, de impact die het ongeval op het kleine team en de bedrijfsvoering heeft gehad, de hulp en steun die aan de nabestaanden is geboden door contact te onderhouden en de uitvaart te bekostigen, de medewerking aan het onderzoek van de arbeidsinspectie, en het feit dat de verdachte volledige verantwoordelijkheid heeft erkend en sinds het ongeval meer aandacht besteedt aan controle en veiligheid.

Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding voor een voorwaardelijk strafdeel, nu de verdachte daadwerkelijk verantwoordelijkheid heeft genomen en maatregelen heeft getroffen om een ongeval in de toekomst te voorkomen. Een onvoorwaardelijke geldboete van € 35.000 zou naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht doen aan de ernst van de feiten. De rechtbank legt een onvoorwaardelijke geldboete van € 50.000 op. De beslissing berust op de artikelen 23, 51, 57 en 307 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 5, 8 en 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^