Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit valsheid in geschrift met vervalste testamenten en verzekeringsstukken; vorderingen benadeelde partijen niet in mindering gebracht

Gerechtshof Amsterdam 27 augustus 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:2440

De rechtbank Noord-Holland legt op 21 maart 2023 een betalingsverplichting van € 305.312,09 op na een veroordeling wegens valsheid in geschrift en gewoontewitwassen. In hoger beroep schat het gerechtshof Amsterdam het wederrechtelijk verkregen voordeel op € 405.871,29, opgebouwd uit € 343.683,58 die de betrokkene met een vervalst testament en een verklaring van erfrecht van een bank in Luxemburg ontvangt en € 62.187,71 die twee verzekeringsmaatschappijen uitkeren op valse facturen, offertes en schadetaxaties. Het hof brengt de aan ASR en Nationale Nederlanden toegewezen schadevergoedingen niet in mindering, omdat het arrest niet onherroepelijk is en de vorderingen niet zijn voldaan. Het draagkrachtverweer wordt verworpen, omdat niet aanstonds duidelijk is dat de betrokkene nu en in de toekomst geen draagkracht heeft. De overschrijding van de redelijke termijn is verdisconteerd in de straf in de gelijktijdig behandelde strafzaak, zodat het hof in de ontnemingszaak volstaat met de constatering daarvan. Het hof stelt de betalingsverplichting vast op € 405.871,29.

Inleiding en context

Het gerechtshof Amsterdam doet uitspraak in een ontnemingszaak in hoger beroep tegen een natuurlijk persoon, geboren in 1969. De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 21 maart 2023 in de onderliggende strafzaak veroordeeld voor, kort gezegd, medeplegen van opzettelijk gebruikmaken van een vals authentiek geschrift als bedoeld in artikel 226, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, medeplegen van opzettelijk gebruikmaken van een vals geschrift als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, meermalen gepleegd, en gewoontewitwassen. Bij hetzelfde vonnis is aan de betrokkene een betalingsverplichting van € 305.312,09 opgelegd ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Namens de betrokkene is tegen beide vonnissen hoger beroep ingesteld. Het hof heeft het vonnis in de strafzaak bij arrest van 27 augustus 2026 bevestigd, met uitzondering van de opgelegde straf en de beslissingen over de duur van de gijzeling bij de schadevergoedingsmaatregelen. De strafzaak en de ontnemingszaak zijn in hoger beroep gelijktijdig behandeld.

Grondslag van de ontnemingsvordering en wettelijk kader

De ontnemingsvordering is gebaseerd op artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het voordeel vloeit voort uit twee feitencomplexen waarvoor de betrokkene is veroordeeld. In de periode van 3 september 2008 tot en met 7 augustus 2018 heeft de betrokkene een vervalst testament en een kennisgeving van overlijden ingediend bij de gemeente Bergen, waaruit in strijd met de waarheid volgt dat hij legataris is, en een vervalst testament en een verklaring van erfrecht opgestuurd naar een bank in Luxemburg, waaruit in strijd met de waarheid volgt dat hij erfgenaam is. Als gevolg daarvan maakt de bank in Luxemburg op 1 juni 2017 € 343.683,58 over op de bankrekening van de betrokkene. In de periode van 5 december 2011 tot en met 1 maart 2017 heeft de betrokkene valse facturen, offertes en schadetaxaties, opgemaakt uit naam van een onderneming, ingediend bij onder meer de verzekeringsmaatschappijen ASR Schadeverzekeringen N.V. en Nationale Nederlanden N.V. Naar aanleiding daarvan keren de verzekeringsmaatschappijen in totaal € 62.187,71 uit als vergoeding voor stormschade, schade door blikseminslag en inbraakschade.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal vordert dat het hof het vonnis waarvan beroep bevestigt. In eerste aanleg heeft het Openbaar Ministerie een betalingsverplichting gevorderd tot een geschat bedrag van € 405.800,00.

Standpunt van de verdediging

De raadsman voert aan dat het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel op een juiste manier dient te schatten en dubbeltelling van dezelfde vermogensmassa dient te voorkomen. Bij de vaststelling van de betalingsverplichting dient het hof volgens de verdediging rekening te houden met de duur van de procedure, het gelegde beslag, de vorderingen van de benadeelde partijen en de actuele financiële en medische situatie van de betrokkene. Op dat laatste punt beroept de verdediging zich op verminderde draagkracht.

Oordeel gerecht

Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep, omdat het ten aanzien van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de vaststelling van de betalingsverplichting tot andere beslissingen komt dan de rechtbank. Het hof verenigt zich met het ontnemingsrapport en schat het wederrechtelijk verkregen voordeel op € 405.871,29, bestaande uit € 343.683,58 en € 62.187,71.

Over de vorderingen van de benadeelde partijen overweegt het hof dat artikel 36e, achtste lid (oud), van het Wetboek van Strafrecht voorschrijft dat aan benadeelde derden onherroepelijk in rechte toegekende vorderingen in mindering worden gebracht, en dat artikel 36e, negende lid, van het Wetboek van Strafrecht sinds 1 januari 2014 voorschrijft dat toegekende vorderingen in mindering worden gebracht voor zover die zijn voldaan. De aan ASR Schadeverzekeringen N.V. toegewezen vordering van € 32.379,53 ziet op bedragen die vóór 1 januari 2014 zijn uitgekeerd. Omdat het arrest van 27 augustus 2026, waarin de beslissing over die vordering is bevestigd, niet onherroepelijk is, brengt het hof dit bedrag niet in mindering. De aan Nationale Nederlanden N.V. toegewezen vordering van € 23.179,67 ziet op bedragen die na 1 januari 2014 zijn uitgekeerd. Nu niet is gebleken dat de betrokkene die vordering geheel of gedeeltelijk heeft voldaan, brengt het hof ook dit bedrag niet in mindering.

Het draagkrachtverweer verwerpt het hof. De draagkracht van de betrokkene kan in een ontnemingszaak alleen met vrucht aan de orde worden gesteld indien aanstonds duidelijk is dat de betrokkene nu en in de toekomst naar redelijke verwachting geen draagkracht heeft of zal krijgen, waartoe hij gemotiveerd en zo mogelijk met bescheiden volledige openheid van financiële zaken moet geven. Op basis van de ingebrachte medische stukken is dat niet aanstonds duidelijk, zodat de betrokkene zijn draagkracht eventueel in de executiefase aan de orde kan stellen.

Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden. In eerste aanleg gaat het, gerekend vanaf het strafrechtelijk en conservatoir beslag op 7 augustus 2018 tot het vonnis van 21 maart 2023, om een overschrijding van twee jaar en ruim zeven maanden. In hoger beroep gaat het, gerekend vanaf het instellen van het hoger beroep op 24 maart 2023 tot dit arrest, om een overschrijding van een jaar en ongeveer vijf maanden. Omdat deze overschrijding is verdisconteerd in de straf in de gelijktijdig behandelde strafzaak, volstaat het hof in de ontnemingszaak met de constatering van de overschrijding.

Bewezenverklaring

Niet van toepassing. Deze uitspraak betreft een ontnemingszaak; de bewezenverklaring is in de onderliggende strafzaak vastgesteld.

Strafoplegging en maatregelen

Het hof stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 405.871,29 en legt de betrokkene de verplichting op tot betaling van dit bedrag aan de Staat. De duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd, bepaalt het hof op 1.080 dagen. Daarmee komt het hof tot een hogere betalingsverplichting dan de rechtbank, die een betalingsverplichting van € 305.312,09 had opgelegd.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^