Hoger beroep niet-ontvankelijk in handhavingszaak over uitbesteding van transactiemonitoring onder artikel 10 Wwft

College van Beroep voor het bedrijfsleven 1 september 2026, ECLI:NL:CBB:2026:408

Een stichting verzoekt De Nederlandsche Bank om handhavend op te treden tegen vijf banken die hun transactiemonitoring hebben uitbesteed aan Transactie Monitoring Nederland, wat volgens de stichting in strijd is met het uitbestedingsverbod van artikel 10 Wwft. DNB neemt het verzoek niet in behandeling en verklaart het bezwaar later niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang, omdat TMNL haar activiteiten heeft gestaakt. De voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam verklaart het beroep ongegrond. In hoger beroep beoordeelt het College ambtshalve of de stichting nog belang heeft bij een uitspraak. Omdat de uitbesteding waartegen het handhavingsverzoek was gericht al is beëindigd, kan de stichting niet meer bereiken wat zij beoogde en verklaart het College het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Inleiding en context

De appellante is Stichting Human Rights in Finance.EU, gevestigd te Amsterdam. Zij verzoekt DNB bij brief van 28 februari 2024 om handhavend op te treden tegen vijf banken, te weten ABN AMRO Bank NV, Coöperatieve Rabobank U.A., ING Bank N.V., De Volksbank N.V. en Triodos Bank N.V. Volgens de stichting overtreden deze banken het uitbestedingsverbod van artikel 10 Wwft doordat zij het monitoren van transacties hebben uitbesteed aan Transactie Monitoring Nederland (TMNL). De stichting merkt de Nederlandse Vereniging van Banken aan als medepleger in de zin van artikel 5.1 Awb en verzoekt DNB ook jegens haar te handhaven, met oplegging van een punitieve bestuurlijke boete. Als handhavingsinstrument noemt de stichting onder meer een last onder dwangsom met onmiddellijke stopzetting van de gestelde overtreding.

DNB wijst het verzoek bij brief van 12 april 2024 af, omdat geen sprake is van een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, Awb. Gelet op haar feitelijke werkzaamheden is de stichting volgens DNB geen belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 Awb. Bij besluit van 8 augustus 2024 verklaart DNB het bezwaar niet-ontvankelijk, omdat de stichting geen procesbelang meer heeft nu de activiteiten van TMNL zijn gestaakt.

Oordeel van de voorzieningenrechter

De voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam verklaart bij uitspraak van 19 september 2024 het beroep ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hij concludeert dat DNB het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. TMNL heeft haar activiteiten gestaakt, zodat DNB niet meer handhavend kan optreden tegen de vijf banken die de transactiemonitoring aan TMNL hadden uitbesteed. De stichting heeft ook geen ander belang bij het handhavingsverzoek.

Standpunt van de stichting in hoger beroep

De stichting stelt hoger beroep in. Op de zitting van 9 juni 2026 licht zij toe dat het haar in hoger beroep gaat om het ongedaan maken van de gevolgen van de al beëindigde uitbesteding van de transactiemonitoring. Zij voert aan dat zij juridisch advies heeft moeten inwinnen en daarvoor kosten heeft gemaakt, en dat ook de procedures bij de rechtbanken geld hebben gekost, waaronder het betaalde griffierecht. Volgens de stichting betreffen deze kosten geen schade, maar proceskosten waarvan de vergoeding voldoende procesbelang oplevert. Daarnaast stelt zij schade te hebben ondervonden doordat haar zakelijke bankrekening onderdeel is geweest van de uitbesteding van de transactiemonitoring en van de datadeling tussen TMNL en de banken.

Oordeel van het College

Het College overweegt dat de vraag of de stichting belang heeft bij een beoordeling van het hoger beroep een voorvraag is die het ambtshalve moet beantwoorden en die voorafgaat aan de vraag of de voorzieningenrechter het beroep terecht ongegrond heeft verklaard. Voor het aannemen van belang moet het doel dat de stichting nastreeft daadwerkelijk kunnen worden bereikt en feitelijke, niet slechts hypothetische, betekenis hebben. Een louter formeel of principieel belang volstaat niet. In beginsel kan geen belang bestaan bij de beoordeling van een verstreken periode of een vervallen besluit, tenzij sprake is van een onderbouwd verzoek om schadevergoeding of een inhoudelijk oordeel van belang kan zijn voor toekomstige, terugkerende besluiten. Het College verwijst naar zijn uitspraak van 24 mei 2022, ECLI:NL:CBB:2022:256.

Het handhavingsverzoek is gericht op het stopzetten van de uitbesteding van de transactiemonitoring door de vijf banken aan TMNL. Het College stelt vast dat TMNL met ingang van juli 2024 is gestopt met transactiemonitoring, in voorbereiding op de inwerkingtreding van de nieuwe Europese antiwitwaswetgeving in juli 2027, en dat de stichting niet heeft aangevoerd dat TMNL nog feitelijk transactiemonitoring verricht. Het oorspronkelijke handhavingsverzoek is niet mede gericht op het ongedaan maken van de door de stichting gestelde gevolgen van de beëindigde uitbesteding. Nu de uitbesteding al is beëindigd, kan de stichting in hoger beroep niet meer bereiken wat zij met haar verzoek beoogde en heeft zij in beginsel geen belang bij een uitspraak.

Het College onderzoekt vervolgens of in de overige aangevoerde omstandigheden alsnog een procesbelang kan worden aangenomen. De mogelijkheid om vergoeding van griffierecht en proceskosten te verkrijgen levert geen belang op, omdat een bestuursorgaan ook tot vergoeding van die kosten kan worden veroordeeld zonder gegrondverklaring van het hoger beroep. Het College verwijst naar zijn uitspraak van 4 juni 2024, ECLI:NL:CBB:2024:378. Ook de lopende procedure van de stichting bij de Autoriteit Persoonsgegevens en de gestelde schade doordat de zakelijke bankrekening onderdeel is geweest van de datadeling tussen TMNL en de banken leveren geen belang op. De Autoriteit Persoonsgegevens maakt een eigen beoordeling of de privacywetgeving is geschonden en heeft daarvoor het resultaat van het handhavingsverzoek niet nodig. De gestelde schade door een mogelijke privacyschending als gevolg van de datadeling en opslag door TMNL kan bij de Autoriteit Persoonsgegevens of de civiele rechter aan de orde worden gesteld.

Beslissing

Het College verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Omdat het hoger beroep niet-ontvankelijk is, komt het College niet toe aan de hogerberoepsgronden van de stichting.

Lees hier de volledige uitspraak hier.

Print Friendly and PDF ^